vrijdag 3 juli 2009

interview met nele van canneyt

Interview met fotografe Nele Van Canneyt (°73)

Nele legt al meer dan tien jaar beelden vast en maakt hiervoor verre reizen. Het resultaat ervan weerspiegelt zich in vele parels van foto’s.

Hilde Van Canneyt : Hallo Nele, ik wou je interviewen omdat op donderdag 9 juli de opening van je nieuwe expo plaatsvindt in IN BETWEEN in Antwerpen. We zitten hier bij je thuis waar we de foto’s aan het bekijken zijn op je scherm, wat natuurlijk niet te vergelijken is met de foto’s die we in groot formaat uitgeprint zullen zien.


‘Worlds inside, outside’, Argentina 2006

Waarom heb je dit beeld gekozen voor je tentoonstelling?

Nele Van Canneyt: Worlds inside, outside - is ontstaan vanuit mijn fascinatie voor de innerlijke en uiterlijke wereld. Hoe uit iemand zich? Ik vind het interessant te weten komen wat een mens denkt, maar je kan iemands geest uiteraard nooit volledig doorgronden. Ik verplaats me graag in andere mensen en kijk als een buitenstaander toe wat er zich afspeelt tussen mensen en hun omgeving. Mijn foto’s zijn innerlijke gedachten. Welke gedachten wisselen mensen uit? Welke houden ze voor jezelf? Hoe gedragen mensen zich naar de buitenwereld?


Zoals hier, die jongen staat er echt verloren bij, het meisje omarmt letterlijk die paal waar ze aan het dromen is…

NVC: Dat is jouw interpretatie. Ik laat het graag aan de toeschouwer over om uit te zoeken wat zich hier afspeelt.


Je titels verwijzen vaak naar de vele reizen die je maakt in functie van je fotografie. Vertel daar eens meer over…

NVC: Ik reis om de beelden te vinden die ik wil tegenkomen. Intuïtief zoek ik een decor op en meestal vind ik de beelden die ik hoopte te vinden, vaak door een samenloop van omstandigheden.


In Gent –je woonplaats- vind je niet wat je zoekt?

NVC: Ik heb in mijn studententijd Gent al platgefotografeerd en ik zoek toch liever naar vernieuwende beelden. Ik moet ook altijd een zekere afstand vinden tussen het onderwerp en mezelf. Later zal ik misschien terug op Belgïe terugvallen, maar op dit moment hebben Amerika en Zuid-Amerika nog grote geheimen voor mij. Dus wil ik die landen eerst doorgronden.


Je foto’s zijn prachtig van kleur, is dat ook een reden waarom die landen zo naar je lonken?

NVC: Inderdaad. De kleuren die ik daar vind, vind ik niet in Belgïë. Misschien ben ik binnen tien jaar gefascineerd door grijstinten, en dan zoek ik ons land weer op.



'Outside I', New Orleans 2008

We zien een foto van een ruïne. Er zijn geen mensen te zien. Waarom wou je dit beeld bij deze expo erbij?

NVC: Deze foto is genomen in New Orleans. Het beeld spreekt voor zichzelf. De chaos laat de ‘world outside’ zien, je voelt de menselijke aanwezigheid die er ooit geweest is.... Het spanningsveld tussen harmonie en disharmonie vind ik altijd interessant...


‘The museum’, Argentina 2006

Ik heb deze foto zien hangen in ‘Villa De Olmen’ in Wieze en ik was echt sprakeloos bij het zien van dat beeld. Heel schilderachtig, ik werd er echt stil van… prachtig! Je hebt het ook voor je uitnodiging gebruikt, goede keuze!

NVC: Ik vind het goed dat je zegt dat je er stil van werd, dan hoef ik er zelf niet een hele uitleg aan te geven (lacht) en kunnen mensen er zelf een verhaal bij zoeken. Ik hou van verstilde beelden die vragen oproepen en waar ik zelf naar het antwoord moet zoeken.


Maar ook de schoonheid van kleur en compositie is hier belangrijk. Geen onbelangrijke gegevens bij je werk.

NVC: Esthetiek is iets heel subjectief. Ik heb natuurlijk mijn blik, maar of die esthetisch is of niet, daar sta ik niet bij stil.



‘Woman at a street Corner’, Argentina 2006

Je drie werken werden geselecteerd voor de Canvascollectie in het Bozar Museum in Brussel. ‘The Museum, Argentina’ doet me denken aan ‘Woman at the street Corner’, voor mij ook één van je foto’s waar ik echt stil van word. Het lijkt geënceneerd, maar dat is het niet, het lijkt bijna ongelooflijk dat je die momentopname zo vast kunt leggen.

NVC: De situaties zijn nooit geënsceneerd, het beeld overvalt me gewoon. Soms zit ik in een ‘flow’, op zoek naar de juiste cadrage en plots valt op dat ene moment alles samen. Soms heb ik net vóór of na dat juiste beeld foto’s genomen waar net één element te veel of te weinig op staat waardoor je niet tot de foto komt.



‘Sleeping’, Argentina 2006

We zien een vader en dochter in erbarmelijke omstandigheden slapen. Neigt dit al meer naar documentaire fotografie?

NVC: Nee… voor mij past ze perfect bij de andere foto’s. Documentaire fotografie legt belangrijke momenten en feiten vast die moeten gezien worden door de buitenwereld. De wereld kàn zonder mijn foto’s, het zijn geen foto’s die belangrijke momenten van de geschiedenis vastleggen. Ze zijn tijdlozer. Het gaat om kleine momenten waar niemand bij stilstaat dat ze iets kunnen betekenen. Ook hier liep iedereen voorbij. De foto is genomen op de laatste dag van mijn reis naar Argentinië. Net daarvoor was ik nog zwaar onder de indruk van een andere familie die op straat sliep, en die ik pizza had gebracht. Een uur later en vele straten verder kom ik dit beeld tegen. Een familieportret. Het pijnlijke is dat dat kindje op mijn dochter lijkt, gehuld in een prachtig plaiddekentje, maar wel op straat…
Aan dit beeld kon ik niet voorbijlopen, hoe verwarrend het ook was om het te nemen, want eigenlijk ben je op dat moment een voyeur, je neemt de privacy af van die mensen in moeilijke omstandigheden. Mooi en tegelijk één van de meest trieste situaties die ik daar in Buenas Aires ben tegengekomen. Die tegenstelling spreekt me aan. Schoonheid en hardheid in één beeld.


Zie je dit beeld als een ‘kunstfoto’?

NVC: Ja, toch wel.

Omdat dit beeld niet te vergelijken is met bijvoorbeeld ‘The museum, Argentinië’, het lijkt wel van een andere fotograaf.

NVC: Dat geeft niet. Het geeft tegenwicht aan de andere beelden…



‘Outside II’, New Orleans 2008

Je kan op deze foto totaal niet uitmaken welke relatie deze mensen met elkaar hebben. Is het afwijzing? Is het liefde? Je dringt ook hier weer hun wereld binnen.

NVC: Daar hou ik van. Wat is hun innerlijke wereld? Hoe is hun relatie? Ik vind het fijn dat iedereen daar zijn eigen verhaal bij verzint.


Op straat is er zoveel interactie tussen mensen, je weet eigenlijk nooit wat gezegd wordt rondom je.

NVC: Ik zie of voel soms dingen aan die anderen negeren of waar anderen aan voorbijloopt.


Welke boodschap wil je de kijker dan meegeven?

NVC: Ik wil de mensen vragen doen stellen bij wat ze zien…



‘Ania’, Moscow, 2008

NVC: Ik heb dit beeld genomen omwille van dat meisje. Haar blik verraadt een heel innerlijke wereld die ik wel interessant vond. De elementen rond haar kwamen samen met die gevoelswereld.


Misschien gaan mensen in dit beeld wel troost vinden, zoals een stukje muziek beluisteren dat ook kan doen… wìl je ook troost bieden, of is dat helemaal geen betrachting?

NVC: Als foto’s méér zijn dan gewoon ‘mooi’ of ‘lelijk’, heeft dat natuurlijk een meerwaarde… al klinkt het woord troost wel sentimenteel…


Dat vind ik niet, beeldende kunst brengt me soms wel troost…


NVC: Ok, als de kijker gelukkiger wordt door naar een foto te kijken, of net ontroerd is, is dat wel een complement. Ik zet gewoon beelden vast waar andere mensen niet op letten.



‘Inside, outside’, Mexico 2008

Dit beeld neigt bijna naar abstractie, kan bijna een abstract schilderij zijn.

NVC: Dat zeg jij. Als kijker weet je niet goed of deze foto binnen of buiten getrokken is. De menselijke elementen zijn ook hier weer deels aanwezig.


Je hebt dit beeld niet louter gekozen voor de kleur- en compositievlakken?

NVC: Niet alleen daarom. Kleur en compositie zijn nodig, maar die muren die je ziet waar een wereld achter zit die ik niet kan zien, zijn voor mij nog belangrijker.



‘Zebra’, Moscow, 2008

Dit beeld in het halfduister herken ik uit je vroeger werk. Het lijkt een momentopname die vaag is weergegeven.

NVC: Deze foto is genomen in Moscou. In neem graag tafereeltjes als deze waar.
Waar gaan die mensen naartoe? Wat denken ze? Het roept voor mij een hele wereld op.

Het doet wat filmisch aan, ook een sfeer die ik soms in je foto’s terugvind. Je kan er ook geen jaartal op kleven. ..

NVC: Dit tafereel is inderdaad tijdloos, al is die plastieken zebra natuurlijk een element die ons in het nu doet bevinden. Het typeert ook het vluchtige dagdagelijkse leven en het niet stilstaan bij het moment. Terwijl ik zelf net heel graag stilsta bij bepaalde momenten.


Wil je de kleine ‘dingen des levens’ vastleggen?

NVC: Ik wil kleine, intrigerende momenten die mijn aandacht vasthouden, in beeld brengen. De essentie van mijn werk is dat mijn foto’s mijn gedachten visualiseren. Zelf ben ik een piekeraar en ik stel mezelf duizend vragen bij dingen die ik rondom mij zie, terwijl anderen er misschien aan voorbij gaan. Fotograferen is voor mij een ontlading. “Oef”, het is van mij af, want nu is de toeschouwer ermee opgezadeld en mag die nu vragen stellen (lacht). De foto’s roepen vragen op, maar op mijn gedachtenwereld heb ik geen antwoorden. Ik denk ook dat zich dat uit in mijn foto’s.


Nele zonder fotografie = ?

NVC: Ik kan me beter met beelden uitdrukken dan dat ik het hier aan jou vertel. Ik weet niet of ik het allemaal goed kan uitleggen. Daarom schrijf ik ook zo graag, dan kan ik er eerst eens over nadenken.


Dank je voor het gesprek Nele en succes met je expo!

Hilde Van Canneyt, Drongen, zondag 28 juni 2009.

Nele Van Canneyt heeft een solo-expo van 9 juli (vernissage, 20u), tot 27augustus ’09 (finissage) in IN BETWEEN, Paardenmarkt 90, 2000 Antwerpen. Open van woe tot za van 11 tot 18u.

http://www.nelevancanneyt.com/

http://www.gynaika.be/









dinsdag 23 juni 2009

interview met dirk braeckman


Fotograaf Dirk Braeckman voorstellen hoeft niet meer... vandaar dat ik het ook niet doe en hem zelf laat vertellen....


Hilde Van Canneyt: Hoi Dirk, na drie maal is het eindelijk gelukt je te pakken te krijgen… je zei me dat je het enorm druk hebt. Vragen met welke projecten je zoal bezig bent lijkt me een gepaste opener.

Braeckman: In mijn persoonlijk werk is het niet drukker dan anders, maar doordat ik nu curator ben van het volgende Time Festival is het nu extra druk. Mentaal ben ik daar enorm veel mee bezig. Enerzijds leer ik veel bij, maar anderzijds kan ik me niet meer volledig focussen op mijn eigen werk.


Bedoel je met eigen werk de expo’s die je in het verschiet hebt of eerder de dingen die je zelf wilt creëren?

Braeckman: Voornamelijk wat ik zelf wil maken. Natuurlijk lopen tentoonstellingen daarmee parallel, maar ik werk nooit naar één expo toe. Ik hou er een ander productieproces op na dan de meeste kunstenaars. Bij mij heeft dat te maken met opnames, bekijken van negatieven, keuzes maken… daar ben ik dan meestal ook mee bezig. Om die dingen dan te concretiseren en op papier te zetten – de print te maken – heb ik wel wat druk nodig. Op die manier werk ik wel naar tentoonstellingen toe, en niet naar een bepaald concept. Het is meer een stand van zaken die ik aan het publiek wil tonen. En in die zin maak ik ook elke selectie voor een tentoonstelling.


Maak je je selectie zodanig dat de foto’s ‘bij elkaar moeten passen’?

Braeckman: Mijn tentoonstellingen overlappen mekaar vaak, dus ik neem dikwijls iets mee van een vorige tentoonstelling, zodat mijn nieuwe expo aansluit bij de vorige. Het gebeurt soms dat ik een artist-proof van een vroeger werk toon, die ik in een bepaalde tentoonstelling vind passen. Al moet de galerie zich daar ook in kunnen vinden, want zij willen de werken kunnen verkopen. In een museum of instelling die minder zakelijk bezig is, kan ik meer teruggrijpen naar vroeger werk.


Je ziet je foto’s als een soort onafgewerkt breiwerk?

B: Inderdaad. Het groeit organisch, ik werk nooit in reeksen. Ik weiger dat te doen.


Zoals ook veel schilders schilderen wat ze voelen?

B: Je hebt natuurlijk ook schilders die zichzelf een bepaalde thematiek of opdracht opleggen en daarin functioneren. Wie weet dat ik daar ooit nog toe kom, maar vooralsnog niet. Voor mij gaat het nog altijd om het beeld als beeld, niet het beeld als drager van een bepaald discours. Achteraf kan dat discours er komen, maar de meeste kunstenaars werken omgekeerd. In dit verband is een uitspraak van een goeie vriend, de fotograaf, cineast en schrijver Marc Trivier heel sprekend voor mij; hij zegt dat ik een foto maak die van zichzelf weet dat hij een foto is. Meestal wordt een foto gebruikt als getuigenis van een zekere werkelijkheid, een soort verslaggeving. Dat doe ik ook, maar dan niet van een reële werkelijkheid, meer vanuit een soort state of mind. Wat er opstaat is belangrijk omdat het tot op zekere hoogte herkenbaar is, maar vooral omdat het ook universeel wordt.


Wil je een bepaald ‘gevoel’ oproepen? Of gruwel je van dat woord? Ik geloof dat ik ooit gelezen heb dat je dat een vies woord vindt…

B: Niet helemaal. Ik heb wellicht wel gezegd dat ik de clichés die gebruikt worden in de beschrijving over mijn werk gruwelijk vind, zoals de sfeerwoorden: melancholie en donkerheid, enzo… Daar gaat het niet om.


Wat wil je dan dat je foto’s oproepen bij het publiek?

B: Dat ga je mij nooit horen uitleggen. Dat is onmogelijk en feitelijk weiger ik dat te doen.


Wanneer is een foto een goede foto? Als hij ‘iets’ heeft?

B: In de eerste plaats grijp ik dan terug naar dat citaat van Marc Trivier: een foto die weet dat hij een foto is. Maar ik denk ook dat mijn werk iets ‘exotisch’ heeft en dat dat net ook aantrekt. Je herkent het, maar kan het niet plaatsen, omdat het zowel een soort eigen tijd als ruimte creëert.

Dat is in een zin gezegd waar mijn werk voor het grootste deel over gaat.


Zoals muziek ook niet altijd te vatten is maar toch intrigeert…

B: Inderdaad, daarom is het ook heel moeilijk voor mij om over mijn werk te praten.


Dat is misschien wat je werk zo interessant maakt.

B: Je kan er veel in rondspreken. Je kan dikwijls rond mijn beelden praten, maar nooit tot de kern gaan. Dat is niet alleen bij mijn werk zo uiteraard.


Als je geen opdrachten of deadlines hebt, zoek je die dan zelf in de vorm van eigen projecten? Heb je nog een lade vol ideeën liggen of laat je elke dag gewoon op jou afkomen?

B: Ik schrijf wel veel en heb een notaboek waar ik vanalles in noteer, ik zie dat als een manier van denken. Ik heb dat nodig om de dingen in mijn hoofd te ordenen, als iets waar ik op kan terugvallen, hoewel ik achteraf dat notebook nooit meer raadpleeg.


Zelfs al had je een jaar geen projecten, dan zou toch het bedrijfje ‘Braeckman’ gewoon verder gerund kunnen worden?

B: Ja hoor. Ik heb geen massa’s projecten, maar alles loopt hier wel constant door.

Ik zie het ook niet echt als een bedrijfje. Het is meer een atelier waar er van alles samen komt.


Zijn het dan particulieren of eerder bedrijven die jouw werken kopen?

B: Nu heb je het over de commerciële kant en die is effectief nodig om middelen binnen te krijgen óm te kunnen voortdoen. Als fotograaf heb ik voor de werken die ik wil realiseren ook met zware productiekosten te maken, dus moeten er ook inkomsten zijn. Ik doe uitsluitend dit. Ik geef geen les of zo.

Maar aan wie mijn werken worden verkocht? Daar heb ik geen zicht op. Zo’n dingen weet mijn galerie beter. Ik vermoed dat het ongeveer fifty fifty is.


Maar als het aan jou lag, zou je gewoon een fotograaf zijn die beelden ziet, foto’s trekt, en weer verder wandelt…

B: Nee! Ik ben nooit zo’n fotograaf geweest en ik heb me nooit zo gevoeld. Je zal me nooit met een toestel rond mijn nek zien, jamais! Ik heb mezelf nooit als fotograaf gezien, voor mij is dat een tool die buiten mijn persoonlijkheid staat. Het is iets waar ik naar teruggrijp, het is een heel materieel medium, maar het lijkt los van mezelf te staan. Moesten ze me morgen al mijn apparatuur afpakken en zeggen: “je mag nooit meer fotograferen”, wel, ik zou dat zelfs niet eens zò erg vinden. Dat klinkt cru natuurlijk. Al zou ik dan wel via een andere weg ‘het ding’ doen dat ik moet doen.


Plan of ensceneer je een gebeurtenis wanneer je foto’s wilt gaan trekken?

B: Ook niet. Dat gebeurt vrij impulsief. Er ligt wel altijd ergens een toestel klaar natuurlijk, maar ik werk met heel kleine camera’s, ik hou van flexibiliteit. Die techniciteit, ik ben daar nooit zo mee bezig geweest. Ik vind dat wat ingewikkeld, voor mij mag het allemaal heel eenvoudig blijven. Maar het is en blijft natuurlijk een geniale uitvinding, waar nu op digitaal niveau een nieuwe dimensie is bijgekomen. Ik ben mij daar nu toch meer in aan het verdiepen. Gewoon om te weten wat de mogelijkheden zijn.


Je medium is fotografie, maar het had dus iets totaal anders kunnen zijn?

B: Ik kom uit de schilderkunst, al heb ik nooit veel schilderijen gemaakt. Hoewel ik er al twintig à dertig jaar mee bezig ben, kan het best zijn dat ik bijvoorbeeld binnen twee jaar stop met fotograferen en geheel andere dingen ga doen. Daarom niet schilderen, maar wellicht iets totaal anders.


Je voelt het aan wanneer je wilt gaan fotograferen?

B: Soms fotografeer ik maanden niet, sommige periodes ben ik er net heel intens en intensief mee bezig.


Ga je op zoek naar je beelden?

B: Nee, dat weiger ik. Toch in de zin van op zoek gaan naar de juiste locatie en het onderwerp. Al ben ik wel op zoek naar het juiste beeld natuurlijk. Maar dan moet dat beeld al bijna geconcipieerd zijn in mijn hoofd en pas dàn zal ik het gaan fotograferen. Ik werk niet vanuit de realiteit, meer vanuit een subtiele mentale gevoelsinstelling, heel subjectief dus. De meeste fotografen werken vanuit een onderwerp, ik niet, ik werk letterlijk vanuit mezelf en dan zie ik wat ik daarvoor kan gebruiken. Dat komt ook weer vanuit mijn achtergrond en interesse voor schilderkunst. Schilders werken vanaf het begin van de fotografie met foto’s en vanuit die optiek ga ik ook met mijn beelden om. Ik maak opnamen en ga die dan op mijn manier transformeren in mijn donkere kamer. We zitten hier nu in mijn ‘algemeen’ atelier in Gent, maar mijn échte atelier is voor mij nog altijd mijn donkere kamer in Waarschoot.


Daar voel je dat je moet creëren?

B: Moeten? Daar komt alles gewoon samen. Mijn negatieven zijn daar, daar zoek ik welk negatief ik op welk moment ga printen. Ik ga nooit met voorbedachte rade naar mijn doka.


Zo blijft het ook voor jezelf fris…

B: Soms moet er natuurlijk ‘gewerkt’ worden… ik maak mijn oplages in drie of vijf exemplaren, maar ik doe dat nooit op hetzelfde moment. Soms moet ik ook in mijn donkere kamer zijn om te herprinten, al maak ik al mijn prints telkens anders. Het hangt sowieso van zoveel factoren af, zoals temperatuur, vochtigheid, mijn eigen gevoel… als je ze naast elkaar legt, zie je drie verschillende prints. In feite zijn ze nagenoeg uniek.


Dat wil ook zeggen dat je je niet wilt dwingen in je fotografie. Ik vermoed dat vrijheid nogal belangrijk voor je is?

B: Vrijheid is uiteraard heel belangrijk. Het ideaal voor mij is dat ik alleen maar puur zou moeten creëren. Dat wil zeggen: erover nadenken en fantaseren en dan fotograferen en printen. Met de rest zou ik het liefs allemaal niks te maken hebben. Maar qua tijd besteed ik zowat de helft aan het creatieve en de helft aan alles wat errond hangt. Ik probeer dat nu beetje per beetje om te turnen en wil meer en meer naar de essentie teruggaan.


Hoe meer je doet, hoe meer je weet wat dichtst tegen je persoon aan ligt…

Nog een vraagje: ben je in je hoofd constant aan het fotograferen?

B: Totaal niet. Nu toch niet, maar misschien dat ik binnen twee maand in een roes zit waar ik niks anders doe. Dan maak ik massa’s negatieven en verzamel ik een hele tijd materiaal waar ik mee voortkan om te printen.


Wat geeft je de ultieme ‘kick’? De zoektocht, de cameraklick, de ontwikkeling van de foto of het resultaat als je je foto aan de muur ziet hangen?

B: Dat is moeilijk. Ik moet zeggen dat ik op dat gebied niet constant naar kicks zit te streven, ik ben meer op zoek naar een soort van flow. Dat is veeleer mijn soort ‘kick’.


Als het publiek binnenkomt op een vernissage en je hoort positieve kritieken, heb je niet zoiets van: “Yes, I did it!”?

B: Waar ik wel op kan ‘kicken’ is als ik voel dat ik met iemand praat die met hetzelfde bezig is als ik. Als we op hetzelfde punt komen in een gesprek, dat kan wel iets losmaken. Maar kicken op mensen die kicken op mijn werk… nee, laat maar, daar ben ik liever niet bij. Op dat gebied hou ik me liever op de achtergrond in de coulissen.


Je fotografeert niet voor je ego?

B: In één van mijn boeken staat dat ik in de eerste plaats fotografeer voor mezelf, niet om iets te tonen of hoe mensen daar zouden naar kijken. Ik ben bij toeval bekend geworden, het is zeker niet mijn betrachting geweest, ik heb het nooit nagestreefd. Publiekelijk ga ik zeker nooit veel aandacht voor mijn persoontje gaan opeisen. Dat is tegen mijn natuur.


Maar het doet wel deugd dat je werk door zoveel mensen geapprecieerd wordt?

B: Dat kan ik niet ontkennen, dat is een feit. Het is enorm fijn dat ik totaal mijn goesting doe en ik daar toch een publiek voor heb. Het is niet de grote massa, maar het moet toch zijn dat er een aanknopingspunt is waar het publiek zich in herkent.


Op het eerste zicht is je werk ook totaal niet commercieel.

B: Neen…


Waarom voel jij je geen fotograaf, maar wel een kunstenaar?

B: Ik weet niet of ik dat zelf kan bepalen, dat wordt gezegd van mij. Het is niet omdat ik daarstraks gezegd heb dat ik me geen fotograaf voel, dat ik me daarom kunstenaar voel. Je kan natuurlijk vragen: “wat ben je dan wel?”

Erik Eelbode (medewerker Dirk): Zou je aan een schilder dezelfde vraag stellen?


Je kaatst de vraag goed terug! Euch, waarschijnlijk niet…

Voel je je een hedendaagse kunstenaar, dan?

B: Ik voel me sowieso een hedendaags kunstenaar omdat ik nú dingen maak.


Dit antwoord heb ik nog gekregen Dirk… en het klopt… maar streef je ernaar om hedendaags relevant te zijn?

B: Hedendaagse kunst is een algemene term, maar misschien wil je vragen: “voel je je een kunstenaar die totaal nieuwe dingen maakt die nooit gemaakt zijn?” Dan antwoord ik dat ik daar totaal niet mee bezig ben. Als je naar mijn werk kijkt kan je daar geen tijd en plaats op stellen. Dat is juist één van de kenmerken van mijn werk, dat je niet kan zeggen waar of wanneer het gemaakt is. Vandaar die exotiek in mijn werk.


Als je foto’s van nu of foto’s die je twintig jaar geleden gemaakt hebt naast elkaar zou zetten, zou het publiek onmiddellijk een verschil zien denk je? Of hoe zou je reageren als ze zeggen dat je niet bent geëvolueerd?

B: Ik snap wat je bedoelt… maar ik weet niet of je mijn vroegste werk kent? Dat is toch heel anders dan mijn werk van vijf jaar geleden… mijn stappen zijn heel minimaal, je moet mijn foto’s écht wel naast elkaar zetten om het verschil te zien.


In welke zin vind je het dan belangrijk dat je evolueert? Of ìs dat niet belangrijk?

B: Toch wel hoor! Ik zit niet op iets te teren. Daarom kom ik soms voor langere periodes niet naar buiten, omdat ik dan bezig met het laten groeien van mijn werk… ik denk net dat daar veel evolutie inzit.


Aan Michaël Borremans vroeg ik ook waarom hij doorgaans dezelfde thema’s aanhaalde…

B: Je hebt kunstenaars die een onderwerp gaan uitdiepen en uitdiepen. Dat is iets anders, ik spreek over evolutie in het beeld. Je kan wel terugvallen op thema’s, dat doe ik ook… mijn thema’s zijn eigenlijk een autobiografisch gegeven. Het komt allemaal uit mijn dichte omgeving, terwijl het eigenlijk niet over mij gaat. Met mijn werk vertel ik dingen over mij en over mijn leven, het is een tool die als een rode draad door mijn werk loopt. Het is mijn leidraad… en van daaruit tracht ik een soort universele beelden te maken.


Aan Luc De Vos vroeg ik ook of hij ‘geëvolueerd’ is… uiteindelijk lijken zijn liedjes nog altijd op zijn vroegere liedjes en vind ik één van zijn eerste hits: Lieve kleine piranha zijn beste song… evolueren, moet dat echt?

B: Wat ik wel vind is dat mensen blijkbaar heel snel verandering nodig hebben. Ik vind als er een evolutie in je werk zit over een periode van twintig jaar, dan is dat toch al heel goed? Twintig jaar is uiteindelijk vrij kort. Ik geef toe, ik ben een vrij trage kunstenaar, voor mij gaat het om de traagheid van dat proces en alle tijdsniveau’s waar ik mee speel in mijn werk.


Je foto’s willen niet shockeren?

B: Ik zoek geen spektakel. Ik maak vrij ingekeerd werk en ik vermoed ook dat ik daarom een publiek heb. Geen massa, maar toch.


Waarschijnlijk daarom dat je al zo lang een vaste waarde bent, omdat je jezelf niet verloochent.

B: Dat is altijd goed om te horen. Vandaar ook misschien wel de herkenbaarheid van mijn beelden.


Vind je schoonheid een vies woord?

B: Schoonheid heeft vele betekenissen, maar dan wordt het een te lang gesprek. Het valt allemaal te bezien hoe schoonheid gebruikt wordt ten opzichte van iets. Schoonheid is belangrijk, maar alles hangt van de context af.


Wat wil je de kijker vertellen met je foto’s?

B: Welnu, dat is nu iets wat ik nooit zal kunnen verwoorden: wàt ik de kijker wil vertellen. Dat is net de kracht van een beeld, dàt je het niet kan vertellen. Wat we nu proberen te zeggen: dààr ben ik nu net mee bezig, maar dan in beeldende termen.


Dat vind ik wel goed verwoord!

Het is voor jou niet belangrijk dat de kijker jouw werk al dan niet begrijpt?

B: Ik denk dat een werk altijd begrepen wordt, alleen interpreteert iedereen het op zijn manier. Natuurlijk steiger ik soms van bepaalde reacties, maar dat hou ik voor mij.


Je wilt niet persé het publiek behagen met je foto’s?

B: Nee, ik wil niet behagen, maar omgekeerd wil ik ook niet shockeren. Wat schiet er dan nog over? (lacht)… Een soort van introversie waardoor men tot een bepaalde schoonheid komt, maar dan een andere schoonheid dan de puur visuele schoonheid. Al zeg ik het zelf...


Ik vermoed dat het bij jou ook niet van belang is ons foto’s met een geëngageerde kritische ondertoon voor te schotelen…

B: Ik ben wel zo, maar dat zit niet in mijn werk.


Ben je gevoelig voor kritiek van de kijker of van de pers. Ben je ooit al kwaad geweest op de pers?

B: Toch wel… zeker! Je kan nu wel zeggen dat ik daarnet zei dat mijn werk niet verkeerd geïnterpreteerd kan worden, maar dat is nog iets anders. Als je in de pers iets leest en je voelt dat ze zich niet hebben verdiept in je werk en dan uitspraken doen waar ze de context totààl niet van kennen, tja… Anderzijds, mensen die gefundeerde kritiek geven vind ik heel goed. Dat is het probleem met de kunstcritici nú, in vergelijking met tien à twintig jaar geleden: de dialoog staat op een laag pitje.

Er zijn uitzonderingen uiteraard.


Heb je het gevoel dat critici zelf de pluimen willen opstrijken?

B: Zoiets. Maar dat komt ook door de redacties die zich richten op een commercieel publiek. Ze gaan invullen wat het publiek vraagt, en volgens hen vraagt het publiek die dialoog niet meer. Kunstcritici moeten zich opstellen in een dialoog naar de kunstenaar toe. De lezer moet zich opstellen als toeschouwer en kijken naar die dialoog. Niet omgekeerd.


Volg je de fototijdschriften of lees je H-art?

Braeckman: Niet echt, af en toe, heel sporadisch… Het is een soort van bescherming, ik krijg al zoveel impulsen. Daarom ga ik ook zeer weinig naar kunstbeurzen en andere grote manifestaties.


Volg je je collega-fotografen?

Braeckman: Toch wel. Al de kunstenaars die me interesseren volg ik, maar heel gericht, niet het algemene kunstwereldje.


Dat kunnen ook kunstenaars zijn die niets met fotografie te maken hebben.

Braeckman: Meestal zelfs.


Haal je ook inspiratie – of vind je dat een vies woord? - uit muziek, literatuur…?

Braeckman: Waarom zou ik inspiratie een vies woord vinden?


Omdat veel kunstenaars niet van dat woord houden…

Braeckman: Het is maar weer te zien hoe je dat woord gebruikt én in welke context. Alles kan vies of onnozel klinken hé… Wat inspireert mij? Dat kàn muziek zijn, want ik ben tot de laatste tien jaar enorm veel bezig geweest met muziek. Ik ben nu nog wel muziekliefhebber, maar ik kies de muziek nu bewuster terwijl muziek vroeger constant aanwezig was.


Film?

B: Ik ga te weinig naar film en theater, ik lees ook weinig omdat ik een soort van concentratiestoornis heb.


Je wilt je hersenen niet té veel vullen omdat je het allemaal niet kan opstapelen?

B: Inderdaad. Daarom ga ik meer naar tentoonstellingen dan naar theater of film, omdat je daar de tijd zelf bepaalt. Je kan kiezen of je een minuut of een uur voor een schilderij staat.


Wat doe je dan als tegenwicht voor de kunst? Wie of wat kan je hoofd volledig vrijmaken?

B: Eerlijk? Ik ben altijd veel uitgeweest en dat doe ik nog. Te veel eigenlijk.

Maar ik sport wel een beetje, want wil je goed functioneren, moet je ook fysiek in conditie zijn. De vroege romantiek rond het kunstenaarsschap is toch wel wat veranderd. Wat ik daarnet zei, het is alles wat erbij komt kijken dat zoveel energie vraagt.

Aan mijn familie besteed ik steeds meer aandacht. Dat ontspant mij ook.


Voordat we je website kunnen bekijken, moeten we eerst een paswoord aanvragen, is dat bewust?

B: Ja. Ik wil weten wie op mijn website komt en wie mijn beelden bekijkt. Het is een buffer. Ik vind dat niet gezond voor mijn werk, het is al zo fragiel in publicatie. Ook op scherm heeft de kijker een vertekend beeld van mijn foto’s. Je moet mijn foto’s eigenlijk ‘in het echt’ zien. Een website in mijn geval is een werkinstrument, geen open deur.


Op welke foto ben je het meest trots? Heb je lievelingsfoto’s?

B: Ja, natuurlijk, maar dat zeg ik liever niet, daar wil ik niet mee uitpakken. Dit uit respect voor mijn ander werk en voor de mensen die de werken in huis hebben.


Ik vind dat kussend koppel waarvan je maar één gezicht helemaal ziet, wel fascinerend.

B: Dat is inderdaad een ‘commerciëler’ beeld, dat ook al veel als illustratie is gevraagd. Een paar jaar geleden vroeg de organisatie van Saint-Amour dat beeld als poster. In eerste instantie zei ik ‘ja’, maar dan heb ik ‘nee’ gezegd, dit werk is me te intiem om zo maar als uitgangsbord te dienen. Ook tegenover de mensen die dat beeld gekocht hebben en de mensen die op het beeld zelf staan, vind ik dat niet respectvol.


Jij ziet je zoals Michaël Borremans geen cd-hoes voor Deus maken?

B: Dat is misschien nog iets anders. Als ik de foto speciaal daarvoor moet maken? Ik weet het niet. Ik kan heel moeilijk illustratief of in opdracht werken. Dat lukt me moeilijk.

Die vrijheid hé.. Als ik voel dat ik door iets bepaald wordt, haak ik af. Het verwart mij.

Tom Barman heeft me er een paar jaar geleden al eens over benaderd, maar ik heb er niet op gereageerd. Omwille van dat bepalende van een opdracht. Mijn omgeving verklaarde mij zot.

Zeker mijn dochter. We zijn allemaal grote fans hier.


Voel je jaloezie of concurrentie van/voor je collega Carl De Keyzer?

B: Dat is een goeie vriend en er is een gezonde concurrentie. We vullen elkaar goed aan, we benaderen het medium fotografie op een heel andere manier. We hebben zeven jaar samen Galerij XYZ gerund en ook toen was er een heel mooi evenwicht. Hij is meer naar de documentaire fotografie geëvolueerd, waar hij aan de top staat, ik ben in een heel andere richting geëvolueerd. Ik voel meer concurrentie vanuit andere mediums, dan van Carl.


Maar je vindt zijn documentaire fotografie wel nog altijd kunst?

B: Kunst? Ik vind dat geen belangrijke vraagstelling, hij is heel goed in wat hij doet.


Zijn er clichés in de fotografie die je echt kotsbeu bent?

B: Clichés hé. (lacht) Soms kunnen clichés er zo over zijn, dat ze weer een interessant fenomeen worden. Dat doe ik soms bewust in mijn werk, al is dat wel op een ander niveau.


Steek je soms humor in je werk?

B: Ja, en ik ben blij dat je dat eens aanhaalt. Af en toe zit er in een onderliggende laag, een soort humor in, al moet je daarvoor niet op de grond kruipen van het lachen. Humor is heel belangrijk voor mij. Voor wie niet trouwens?


Dat maakt het voor jou toch ook extra spannend, die grappige, surrealistische, zelfs erotische onderlaagjes.

B: Daarom geef ik weinig uitleg of titels, mijn werk moet zo universeel mogelijk blijven. Wat ik ook vertel, altijd ga je dat verhaal meedragen en je visie over de foto laten bepalen. Mijn titels zijn alleen maar codes om mijn werken te catalogiseren. Het is totaal onbelangrijk of mijn foto’s nu in New York of Shanghai of hier bij mij thuis getrokken zijn.


Wat deed het met je als je foto’s plots begonnen te ‘boomen’?

B: Ik heb nooit ‘geboomd’, ik ben net heel traag geëvolueerd. Eind jaren ’90 is er in Belgïe wel wat meer rond mijn werk te doen geweest… maar het zijn mensen uit mijn naaste omgeving die me gestimuleerd hebben met mijn werk naar buiten te komen, ik heb mezelf nooit gepromoot. Toen ik uiteindelijk bij galerie Zeno X belandde, was ik wel blij dat ik buiten het fotografiecircuit terechtkwam. Dat had mijn werk wel nodig.


Hoe sta je tegenover je eigen fotoboeken?

B: Ik heb niet veel boeken gemaakt, omdat het erg moeilijk is om de juiste vorm en textuur te vinden om mijn werk te reproduceren. Het is ook een lang proces, maar we zijn er mee bezig.


Je hebt er al een carrière van vijfentwintig jaar opzitten. Zou je hetzelfde parcours afgelegd hebben als je toen wist wat je nu weet?

B: Nee… ik wil er niet over uitwijden, maar ik zou bepaalde dingen anders aanpakken.


Voel je zelf nog altijd dezelfde rock’n roll drive als toen?

B: Tja, leven en werk groeien organisch, hoe ouder hoe zotter.


Heb je veel offers gebracht voor de fotografie?

B: Ik heb toch wel tien à vijftien jaar héél veel in mijn doka gewerkt . Soms 12 uur per dag . Dikwijls de nacht door. Om de juiste print te vinden. Het gebeurde dat ik een week aan één print doorwerkte.


Puur als drive?

B: Inderdaad. Ik was echt op zoek naar het juiste beeld in de juiste print.


Pure Sturm und Drang?

B: Dat klinkt romantisch, maar dat was wel zo. Ik heb in mijn doka letterlijk veel brokken gemaakt.

Nu temporiseer ik meer. Mijn productie ligt een pak lager.


Heeft de fotografie je veel geleerd over het leven?

B: Toch wel, maar niet alles. Zoals gezegd is fotografie niet mijn leven.


Wat was een ander parcours geweest?

B: Ik wou eerst automechanicien worden. Als veertienjarige was ik zowel met kunst bezig als met moto’s en auto’s.


Heb je nu nog een motor?

B: (lacht) Nee, die interesseren me minder.


Nog andere dromen in de fotografie?

B: Ik heb nog altijd het gevoel dat alles nog moet beginnen, en dat gevoel koester ik ook, hoewel anderen me net zeggen van: “allez, je hebt al een hele carrière achter de rug, een gans oeuvre opgebouwd”. Dat is wel zo maar ik wil toch vooruit blijven kijken. Welliswaar op een ander tempo, zoals ik al zei.


Ik ken nog een goede fotografe, Nele Van Canneyt, wil je haar website www.nelevancanneyt.com eens bekijken?

B: Natuurlijk, ik ben altijd benieuwd naar wat anderen maken, eigenlijk ben ik in alles geïnteresseerd, misschien ben ik wat te versnipperd… daarom stel ik op alles mijn eigen begrenzing.


En vandaar je schitterende foto’s natuurlijk!


Hilde Van Canneyt, Gent, 26 mei 2009.

www.braeckman.be

woensdag 3 juni 2009

interview met guillaume bijl




INTERVIEW MET GUILLAUME BIJL: kunstkenner of niet, iedereen gaat wel voor één van zijn installaties voor de bijl.



Hilde Van Canneyt: Als mensen op café naar je beroep vragen, wat antwoord je dan meestal?


Guillaume Bijl: Dat ik beeldend kunstenaar ben.




Als ze dan vragen wàt je maakt, hoe leg je je werk dan uit aan mensen die niks met beeldende kunst te maken hebben?



Bijl: Dan wordt het al gauw heel moeilijk… dan zeg ik dat ik installaties maak. Waarop zij weer vragen: “schilder je of beeldhouw je?” Dan zeg ik: “beeldhouwen”. Vragen zij weer: “realistisch of niet realistisch?” Waarop ik zeg: “realistisch”… En meestal stoppen ze dan met doorvragen en kan ik al die lastige vragen ontvluchten, wat soms wel nodig is. Het is een heel moeilijke brok om die vraag te beantwoorden, omdat mijn werk een algemene lijn heeft met een persoonlijk intrige. Je kan dat niet zomaar uitleggen in één-twee-drie. Het is echt wel avant-gardisch werk van de tweede helft van de twintigste eeuw. In kunst is het meestal zo dat een werk refereert naar werk uit een voorgaande periode uit de kunstgeschiedenis. Ik ben begonnen in ’79, in de tijd van de nieuwe schilders, de ‘Neue Wilden’. Ik begon dan terug met het aspect van 'ready-made installaties' maken en dat was toch wel wereldvreemd voor die tijd. Ik was een pionier, een revolutionaire vormgever van een nieuw soort individuele uitdrukkingsvorm. Na enkele jaren begon mijn individueel werk op te vallen en werd ik gevraagd in binnen- en buitenland. Rond ’86 begon ik internationaal door te breken en werd ik veel gevraagd in het buitenland. Dat was een hele revolutie. Zo ben ik verschillende variaties op mezelf beginnen maken. Nu wordt dat een volwaardig oeuvre waarin verschillende facetten van mijn persoon naar voor komen.



Ik hoorde daarstraks op de trein van kunstenaar Hans De Meulenaere dat je gisteren aan een wedstrijd hebt meegedongen in Maria Polder, het had iets te zien met land-art.



Bijl: Dat was een 'kunstintegratie' wedstrijd waarvoor ze me vroegen een kunstwerk te maken. Ze hebben mij niet gekozen, maar ik weet wel dat mijn project zwaar in discussie is gekomen. Mijn werk ging over start- en aankomstplaats. Voor de start had ik een inschrijvingschalet gezet met een fictieve startspandoek en enkele kilometers verder bij de aankomst, een tribune met een aankomstspandoek, zoals je bij loop- of koerswedstrijden vaak aantreft. Er zou dus zo’n wedstrijd kunnen plaatsvinden tussen die polders. Mijn concept had zware voor- en tegenstanders, maar tja, dat gebeurt soms, zo heb je elk jaar wel ergens een wedstrijd. De ene keer win je, de andere keer kom je er totaal niet aan te pas. Vorig jaar heb ik wel de Kunstpreis van de Sparta Bank gewonnen. Ik mocht in Wüppertaal, ergens op een kruispunt, een ingekleurde brons zetten. Niet dat ik graag aan wedstrijden deelneem hoor, ik vind dat wel heel vervelend, het is het type wedstrijden die ook voor architecten bestaan. Als je wint is dat wel goed, dan heb je weer wat geld om verder te werken. Ik zie dat als een nevenactiviteit waar elke kunstenaar op een bepaald moment mee wordt geconfronteerd.




Herinner je je nog het eerste kunstwerk dat ooit iets in je losmaakte?
Bijl: Ik ben op mijn vijftiende beginnen schilderen op de zolderkamer bij mijn ouders. Zo heb ik een tiental jaar geschilderd, maar ik was niet tevreden met mijn schilderwerk op zich, als ik het vergeleek met wat er toen in de schilderkunst gebeurde. Ik vond het ook niet goed genoeg om een beeld op canvas te zetten, dat had voor mij te weinig uitdrukkingskracht. Ik ben dan theater gaan studeren omdat ik het publiek directer wou emoveren, erbij betrekken. Dat resulteerde in de jaren ’70 in een reeks projekten “Project-pleasures” genaamd. Ik heb in ’79 een autorijschool in Galerij Z geïnstalleerd. Het concept was: de kunstruimte verdwijnt en er komt een maatschappelijke of consumptie-instelling in de plaats.



Was dat het befaamde fictief pamflet?
Bijl: Dat verhaal telt nu nog altijd. Ik heb in januari, in galerie Coma in Berlijn, een etalage gemaakt van een stoffenwinkel. De etalage van de galerie verdween en maakte plaats voor een consumptiewinkel van stoffen. Dat is het concept: de galerij houdt op kunstruimte te zijn en er komt een pragmatische instelling of winkel voor in de plaats.




In het begin dachten de mensen dat u tegen kunst was, ze begrepen uw boodschap verkeerd.
Bijl: Ik laat eigenlijk zien wat niet mag gebeuren. Ik wil natuurlijk dat de kunst blijft! Ik maak een ironische opstelling van een stukje maatschappij. Dat is een hele reeks geworden van een stuk of vijftig transformatie- installaties: hospitalen, atoomschuilkelders, schietoefenzalen, reisagentschappen, huwelijksburelen, autorijscholen, turnzalen, casino’s, supermarkten, matrassenwinkels etc… Verleden jaar een “Flanders Extra Fair” op de benedenverdieping van het S.M.A.K. Dat is een hele reeks die ik nog altijd verder zet en waar ik nu al dertig jaar mee bezig ben. De transformaties van galerijen in realistische decors zijn een stukje maatschappij dat ik in feite ironiseer. Ik creëer een situatie, wat een belangrijk aspect aan mijn werk is. Is dit realiteit of is dit fictie? Dat is de gedachtengang die bij het publiek opkomt. Maak ik iets belachelijk of relativeer ik juist een beroepsherorientatiecentrum bijvoorbeeld?




Je vindt dat wij er te weinig bij stilstaan dat we altijd maar weer in dezelfde prefab-omgevingen terechtkomen?



Bijl: Inderdaad, dat is goed verwoord. Dat is het eerste, het situationele aspect, het tromple-oeil effect. Het tweede is het inhoudelijke, ik laat “de archeologie van onze maatschappij, nu” zien. Ten derde het beeld, de sculptuur, het stilleven, ik laat een beeld van deze tijd zien: een autorijschool. Binnen 500 jaar bestaat dat niet meer. Ik toon een groot driedimensionaal stilleven van deze tijd.

Een tweede deel van mijn werk zijn de situatie-installaties…




Een onrealiteit in de realiteit…
Bijl: Inderdaad, zo laat ik iets fictief zien in de realiteit zelf. Dat is meestal in de publieke ruimte, in een bank, een park, op een berg; een tromple l’oeil situatie naar het publiek gericht…
Omdat ik veel met realistische decors werkte , begon ik anderzijds ook met het maken van kleine fragmenten van stukjes maatschappij, typische stereotype ironische actuele beelden, compositions trouvées genoemd.
Zo heb ik ook nog sorry-installaties, waar ik eigenlijk vreemdga van mijn eigen stijl, waar ik meer abstract en absurd te werk ga.



Een soort absurde poëzie. Het isoleren van de werkelijkheid.
Bijl: Dat zou je zo kunnen noemen.



Op Art Brussels stond er ook een werk van u. Is dat zo’n composition trouvée? Het lukte mij niet goed om dat werk te vatten…
Bijl: Dat zou een realistisch fragmentje kunnen zijn uit een antiekwinkel. Elk object is een ikoon van onze ‘westerse Beschaving’. Meestal gaat het om de ‘accentuatie’ van kitsch.



Is het aan de kijker om zelf te bepalen wat hij ervan maakt? Moet hij verstaan wat u bedoelt? Moet hij zo slim zijn de link te leggen met wat je bedoelt?
Bijl: Op 100% publiek, mag je blij zijn dat 5% daarvan kunst verstaat. Bij mijn werk is dat niet anders als bij Jan Vercruyse of Luc Deleu. 95% begrijpt geen kunst, maar dat is ook niet de bedoeling van kunst. De bedoeling van kunst is een zo breed mogelijk publiek bereiken. Maar je mag niet verwachten dat men daarom je kunst begrijpt. Het blijft een zeer persoonlijke uitdrukkingsvorm in een zeer uitzonderlijke taal, in dit geval “beeldende kunst”. Meestal is het simpel, maar sommige pseudo-intellectuelen zoeken er teveel achter.



Heb je je van bij het begin gericht op een breed publiek ipv op een arti-farti publiek?
Bijl: Ik denk dat de meeste mensen voetbal beter verstaan dan mijn werk…



Maakt u directe kunst voor een groot publiek?
Bijl: Toch wel. Maar we moeten onszelf geen illusies maken, we spelen gene voetbal. Beeldende kunst is een bepaalde taal en het is normaal dat niet iedereen dat begrijpt. Het volk wilt “brood en spelen”.



Het is inderdaad een taal op zich, dat ben ik pas met de jaren beginnen beseffen. Hoe meer je van kunst kent, hoe meer – of net hoe minder? – je die taal begrijpt…
Bijl: Schilderkunst is ook een bepaalde taal. Ik versta die taal omdat ik jaren geschilderd heb. Ik weet wat goed en slecht is en ik begrijp ook beeldhouw- en installatiekunst omdat ik daar al een dertig à veertig jaar mee bezig ben. Ook als toeschouwer maak je op den duur een klik en ga je die taal begrijpen, zoals je ook de kunstgeschiedenis van de 20e eeuw moet verstaan. Bijvoorbeeld Kubisme of Dadaïsme, of hoe Impressionisme komt van Romantisme, hoe we komen aan conceptuele kunst. Dat is een historische taal die je algemeen moet kennen.




U vindt dat een kijker of kunstenaar zijn kunstgeschiedenis moet kennen. Maar dan blijft kunst toch in dat beperkte publiek? Want wie bijvoorbeeld het S.M.A.K. binnenstapt heeft al een bagage. U confronteert met uw etalage-kunst of ingrepen in de stad de voorbijgangers onmiddellijk met uw kunst.
Bijl: Ze worden geconfronteerd met die kunst, maar ook met die fictie. Hetgene wat ze niet altijd verwachten, maar dat is ook een deel van mijn uitdrukking , dat mensen het als realiteit beschouwen. Dat is ook het plezante, want ik probeer met mijn kunst mensen op het verkeerde been te zetten.
In de jaren negentig ben ik van die kleine museumkes beginnen maken die alludiëren op vrijetijdsbesteding en het cultureel toerisme. Zo heb ik een kitscherig ‘wassenbeeldenmuseum’ gemaakt, een lederhosenmuseum, een bidetmuseum, een Romeinse straat… Ik laat het banale van onze maatschappij zien. Natuurlijk dat 90% dat niet begrijpt, want velen houden net van kitsch, ze weten meestal enkel dat Rembrandt en Van Gogh kunstenaars zijn, meestal zijn die mensen zelfs niet verder gekomen. Daarom alleen al is hedendaagse kunst een eigen taal, want zoals je fysica moet begrijpen vanaf het begin, moet je ook kunst begrijpen vanaf het begin.








Als u uw Bidetmuseum in het Centraal Station plaatst of in het S.M.A.K., dat zal toch een ander effect hebben. De reizigers die niets van kunst kennen gaan hetniet snappen – kunstkenners die uw werk niet kennen misschien ook niet.
Bijl: Er zijn verschillende intriges in mijn werk: die voor de ‘toevallige passage’, die voor de kunstgeïnteresseerden én de intrige voor de totale buitenstaander, die denkt dat het totale realiteit is.





Als u maanden aan een expo gewerkt hebt en dan is er eindelijk die opening waar mensen tussen uw installaties lopen en reageren op uw werk. Is het dan pas dat uw kunstwerk ‘af’ of 'geslaagd' is? Of is uw werk al 'af' voor het publiek het gezien heeft?
Bijl: Ik wil dat het geslaagd is vóór het publiek er is. Het is zoals je een schilderij maakt, je moet er één geheel van maken en na de laatste verftoets is het ‘af’. Ik doe dat ook bij mijn installaties, dat is ook een beetje zoals werken aan een schilderij: er zit compositie in, kleur, materie, harmonie… ik ben mij daar heel bewust van. In feite is dat een stukje driedimensionaal actueel beeld dat ik maak… Dan is er ook het deel van de realiteit: ik kruip bijvoorbeeld in de huid van een tapijthandelaar, maar langs de andere kant is er ook die hedendaagse kunstenaar die weet wat er zich afspeelt in de hedendaagse kunst. Het is een spel van dualiteiten tussen fictie en realiteit, situatie en materie.



Wanneer had u voor het eerst het gevoel dat u gerespecteerd werd als kunstenaar? Want u hebt een lange weg afgelegd met part-time jobs enzo. Wanneer kreeg u zo het gevoel van: oef, ik ga er wel geraken in de beeldende kunst? Herinnert u zich dat moment nog?
Bijl: Ik ben daar in feite nooit echt mee bezig geweest. Ik heb bij mijn eerste installatie wel ervaren hoe rijk die uitdrukkingsvorm was en nu heb ik nog altijd dat gevoel. Het was fijn mijn eigen uitdrukkingsvorm gevonden te hebben. Daar wou ik een serie van maken, en daar ben ik dus nog altijd mee bezig.



Toen kon u ook nog niet leven van uw kunst. Nu wel vermoed ik. U geeft daarbij ook nog les in Duitsland.
Bijl: Inderdaad. Maar met verkopen ben ik ook nooit echt bezig geweest. Ik was dat bij manier van spreken vergeten. Ik wou gewoon mezelf uitdrukken. Heel veel werken in mijn oeuvre die ik gemaakt heb, zijn tijdelijke installaties. Ik was en ben nog altijd bezig met een serie van visuele beelden, ik wil een soort van visueel verhaal van mijn tijd laten zien. Misschien was ik te weinig bezig met het verkopen, al was het geld op een gegeven moment welkom natuurlijk en was ik blij dàt ik begon te verkopen. Het is heel belangrijk dat kunstenaars tijd en middelen hebben om hun werk te realiseren en hun oeuvre ten volle te kunnen vervolledigen.



Waar haalt u zelf het meeste genot uit? Het uitdenken, het maken of het eindresultaat? Bent u trouwens tijdens dagdagelijkse wandelingen constant aan het rondkijken om ideeën op te doen?
Bijl: Nee hoor.



Overvallen ideeën u?
Bijl: Nee, vele installaties zitten vanbinnen geprogrammeerd. Ik heb nog nooit een huwelijksbureau gezien, maar ik heb er wel drie gerealiseerd als installatie.



Eigenlijk onstaan er veel installaties op uw eigen bureau?
Bijl: Ik ben niet bezig met ideeën. Er zijn kunstenaars die enkel bezig zijn met ideeën. In de jaren ’80 heb ik veel variaties gemaakt op mijn eigen werk. Voor de rest ben ik alleen bezig met een concept of een thema voor een tentoonstelling. Ik krijg meestal een idee in de bestaande architecturale tentoonstellingsruimte die mij aangeboden wordt.



Het is niet zo dat u een lade hebt met duizenden ideeën in?
Bijl: Nee.



U hebt ook geen atelier. U werkt altijd in situ. U maakt ook geen schetsen of modelstudies, u moet echt wel een heel goed ruimtelijk gevoel en visie hebben. Ik vind dat wel bewonderenswaardig hoor.
Bijl: Ik heb inderdaad een goed ruimtelijk gevoel en gevoel voor materie en kleur. Ik heb ook een abiliteit van lichteffecten dat dikwijls in mijn werk naar voor komt. Ik heb wel inzicht in hoe ik iets presenteer. Ik schat ook altijd in wat de mogelijke perceptie is van de toeschouwer, die mijn installaties betreedt. Dat zijn heel belangrijke aspecten in mijn werk waar ik een zekere abiliteit in heb.



Als u uw ruimte gezien en goedgekeurd hebt, begint het nog maar pas. Dan moet u naar de winkel stappen en uw materialen kiezen.
Bijl: Meestal gaat er een hele prospectie aan vooraf met de instelling of de galerij waar je mee werkt. Je moet je materialen zoeken en kiezen en meestal in bruikleen vragen, dan worden die met het transport in die ruimte getransporteerd.




Soms moet het toch echt heel nipt zijn allemaal, als uw materialen niet kloppen of u in tijdsnood komt of… U moet toch een paar grijze haren meer gekregen hebben door die opbouw van die talloze in situ-expo's waar u afhankelijk bent van zoveel factoren, mensen…
Bijl: Op den duur krijg je natuurlijk een bepaalde ervaring. Dat is hetzelfde bij het maken van een schilderij of een film. Een kunstwerk is altijd “iets afmaken” voor jezelf en voor de buitenwereld. Er zit een bepaalde abiliteit of ervaring in om “iets af te maken” met de middelen die ik heb. Ik probeer in de voorbereiding mijn materialen zo volledig mogelijk te kiezen, zodat ik reserve heb tijdens het installeren zelf.



Herinnert u zich nog memorabele installaties waarvan u denkt: oeioeioei, dat werk heeft me echt wel bloed, zweet en tranen gekost…
Bijl: Ik stort mezelf altijd in een avontuur natuurlijk. Dan wil ik een casino maken, terwijl ik nog nooit in een casino ben geweest enz… Er zijn veel 'bloed en zweet installaties' geweest en sowieso gaat het altijd gepaard met stress op het moment zelf omdat ik in feite van niks vertrek en iets moet realiseren.



Memorabel was toen ik besloot in Venetïe een Belgische kitscherige modelfermette te bouwen, zoals in Batibouw. Ik bezocht in West-Vlaanderen al die prefab firma’s en van de ene kreeg ik bakstenen, van de andere dakpannen, van de andere deuren en vensters... iemand anders gaf me de houtconstructie… Daarna trommelde ik de studenten van de metselaarschool op, om een dubbele oplegger naar Venetië te rijden. Al die materialen moesten op een transportboot gezet worden… en dan moet dat prefab huis daar op tien dagen wel stààn. Dan kwam er artificieel gras en co, een palet dakpannen in België vergeten enz... De dimentie moest nog kloppen tegenover het paviljoen... dat zijn inderdaad allemaal geen makkelijke klussen.



U bent nogal dikwijls afhankelijk van andere mensen, u moet er ook veel mee samenwerken, met assistenten en helpers… lukt dat altijd?
Bijl: Ik heb een paar eigen assistenten, maar meestal werk ik samen met de mensen van het museum zelf.



Wat is bij u uw grootste betrachting naar de toeschouwer toe? Hoe wilt u dat ze uw expo verlaten? Wat zou u de leukste reaktie vinden?
Bijl: Er zijn natuurlijk verschillende reacties, maar die kan je zo vooropstellen. Uitspraken als: “dit lijkt niet op kunst” omdat die personen “ik-weet-niet-wat” in kunst zoeken, gaan langs mijn neus voorbij. Er is ook een publiek die actuele kunst volgt en mijn uitdrukking wel begrijpt en daar eens goed kunnen mee kan lachen.




Mág er gelachen worden met uw werk?
Bijl: Natuurlijk. Ik maak humoristisch werk. Ik vind één van de beste reacties op mijn werk als mensen in een schaterlach vallen. Mijn werk is tragi-komisch, in feite is het bedoeld om te lachen en te wenen tergelijkertijd.



Publieke feed-back is voor u super belangrijk. Stel dat u op een onbewoond eiland zou vertoeven, dan zou u waarschijnlijk geen kunst maken?
Bijl: Als ik op zo’n onbewoond eiland zou wonen, zou ik het niet lang volhouden, want ik ben heel onhandig. Ik zou terug het vuur terug moeten uitvinden en een hut bouwen, wat ik niet zou kunnen... Ik hang echt wel af van veel mensen en assistenten om mijn werk te realiseren. Zelf ben ik misschien wel een onhandige kluns, maar wel een soort perfectionistische regisseur.



Hebt u nooit de behoefte – omdat u vroeger veel schilderde – terug penseel of potlood ter hand te nemen? Voelt u die primaire teken- of schilderdrang niet meer?
Bijl: Nee, maar de uitdrukkingdrang blijft wel. Anderzijds ben ik niet dat soort kunstenaar die vol is van zichzelf, meer een kunstenaar die zichzelf relativeert. Dat heeft soms meer nadelen gehad, net door dat relativeren. Op kunstenaars die vol zijn van zichzelf trippen meer pseudo-artistieke toeschouwers, net omdat het publiek een heel romantisch beeld heeft van de kunstenaar. Terwijl ik net een heel uitgelezen individuele afstandelijke uitdrukkingsvorm breng, die ver staat van het rechtstreeks esthetische.



Bij u zit er geen romantiek of zieleroerselen in uw werk?
Bijl: Als je goed kijkt en reflecteert wel, maar niet op een pseudo-romantische manier. Mijn werk is niet geschikt voor would be geïnteresseerden, wel voor een spontaan intelligent publiek.



Haalt u nog inspiratie uit oude of hedendaagse kunst?
Bijl: Het woord inspiratie past niet bij mijn werk. Ik ben een kunstenaar die een stukje van zijn tijd wil visualiseren en ik doe dat in verschillende etappes op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen, die mij geboden worden. Ik ben niet bezig met de romantiek, mezelf op een sokkel plaatsen… Ik blijf in wezen een anarchist en je moet een beetje een anarchist zijn om mijn werk te begrijpen… én humor hebben. Ik ben wel honderd procent geëngageerd.



Volgt u uw collega’s die hedendaagse kunst maken?
Bijl: Vanzelfsprekend volg ik met interesse mijn collega’s in binnen- en buitenland. Maar ik merk dat dat ook wederzijds is. Op mijn opening in het S.M.A.K.,en ook later, zijn veel Belgische collega’s de expo komen bezoeken. Tijdens mijn reizen in het teken van groepstentoonstellingen ontmoette ik veel interessante kunstenaar, waar er een wederzijdse appreciatie mee ontstond.
Ik ben een soort “Artist –artist” , geen typische galerie kunstenaar. Ik merk ook veel bijval van jonge kunstenaars. Ik heb niet alleen een pioniersrol gespeeld in het terug gebruiken van de ready-made, maar ook in het terug presenteren van de menselijke figuur in de jaren ’80, wat toen niet zo evident was. Ik denk dat mijn werk onrechtstreeks veel kunstenaars in de jaren ’90 beïnvloed heeft.



Wat vindt u dat er nog ontbreekt aan uw oeuvre? Denkt u trouwens dat u nog tot de laatste snik kunst zal blijven maken?
Bijl: Ik werk mijn oeuvre verder uit, zoals elke kunstenaar.




U amuseert zich?
Bijl: Dat is zeker zo! Als een werk af is, geeft mij dat altijd een kick omdat ik het verrassings- en humoristische element en de inhoudelijke waarde ervan kan inschatten.




Wordt u geïnspireerd door andere kunstvormen?
Bijl: Ik word geïnspireerd door alles wat er gaande is in deze wereld en tijd, zowel politiek, cultureel als sociaal. Ik ben ‘geoccupeerd’ door de exploitatie van de derde wereld, door de onvolmaaktheid van deze westerse maatschappij. Maar evengoed door muziek, theater, beeldende kunst. Alles wat gaande is boeit mij, dus ik moet geen inspiratie gaan zoeken. Ik hou gewoon mijn oren en ogen open.




U bent soms DJ, is dat een uitlaatklep?
Bijl: Ik ben zo’n beetje een amateur, ik doe dat graag, je zou het een late roeping kunnen noemen.




Er zit toch nog veel rock’ n' roll in u vind ik.
Bijl: Dat is een compliment. (lacht)




Vindt u dat u harder hebt moeten werken dan andere kunstenaars omdat u niet het klassieke kunstparcours hebt gevolgd in uw opleidingen? Of misschien bent u daardoor net verder geraakt, omdat u harder hebt moeten vechten en een eigenzinnige visie hebt.
Bijl: Niet bepaald. Ik denk dat iedere vogel zingt zoals hij gebekt is en ik vind dat kunstenaars mensen zijn die een bepaalde visie of een bepaald gevoel hebben dat zij uitdrukken in een bepaalde tijd. Ik ben daar ook een exponent van.




U geeft ook les in Duitsland. Wat vindt u van het huidig kunstonderwijs zoals het HISK enzo? Vindt u het een goede zaak dat kunstenaars nu ‘sterker’ en mondiger gemaakt worden om het kunstenaarsschap beter te kunnen ‘overleven’? Vindt u dat een goede evolutie?
Bijl: Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in stimulatiekrachten voor goede nieuwe beeldende kunstenaars. Ik ben sociaal geëngageerd en als ik jonge kunstenaars kan helpen, doe ik dat. Ik doe dat graag en vind dat ook een beetje mijn plicht.



Wat is het meest veranderd in het kunstenaarslandschap de voorbije dertig jaar?
Bijl: Ik denk niet dat er de laatste dertig jaar heel veel veranderd is. Ik denk wèl dat de kunstmarkt groter is geworden en er meer galerijen enzo zijn. Maar er zijn even weinig heel goede kunstenaars. Als ik echt heel streng ben op mezelf en op de kunstwereld, dan zijn er hoogstens een driehonderdtal echt waardevolle kunstenaars, waarvan misschien tw in intig België... Ik hoop natuurlijk dat ik erbij ben (lacht).




U bent ook altijd in Antwerpen gebleven, u bent hier zelfs geboren. Nooit gedacht je vleugels in New York te gaan uitspreiden?
Bijl: Ik vind Antwerpen zeer geschikt als werkbasis voor een kunstenaar. Ik ben op financieel vlak nooit zo ambitieus geweest en misschien was dat wel een nadeel. Mijn kunstmarktprijs is nooit zo fel de hoogte in gegaan zoals bij andere jonge kunstenaars nu. Maar ik ben wel tevreden over de respons over mijn werk.




U bent heel tevreden met het oeuvre dat u al hebt opgebouwd.
Bijl: Ja, zeer tevreden.




Hebt u nog dromen buiten de kunst – een wereldreis maken bijvoorbeeld – of liggen al uw dromen in de kunst?
Bijl: Ik reis ongelooflijk veel - de laatste jaren voor biënnales naar Korea, Chili en Nieuw Zeeland -, dus daarom heb ik geen behoefte aan een wereldreis. Naar New York gaan en zien wat er in die galerijen wordt getoond, is altijd interessant. Ook ga ik deze zomer zeker naar de Biënnale van Venetië, dat is sowieso een goede uitstap. Die Biënnale volg ik trouwens al van 1964. Ik heb er nu trouwens een klein werkje dat tentoongesteld wordt. Ik vind goede kunst een heel knappe passieve uitlaatklep, die me steeds blijft boeien.



Al uw dromen zitten toch in de kunst. Kunst is zo’n lekkere grote boterham die je blijft smaken en waarvan je blijft genieten?
Bijl: Ik vind ook Obama beter dan Bush hé, ik heb ook wel een politieke en sociale en filosofische mening en interesse over onze maatschappij.



Heeft de pers u altijd goed behandeld?
Bijl: Er zijn weinig goede teksten over mijn werk verschenen. Ook zijn er volgens mij weinig persmensen die mijn werk ten volle begrepen hebben. Er zijn ook heel domme teksten verschenen over mijn werk. Er is altijd de nood aan meer goede teksten over individuele kunstenaars. Ik heb met veel collega’s daarover gesproken - ondermeer met Raoul De Keyzer en Jef Geys. Zij beamen ook dat er een geweldige schaarste aan goede teksten bestaat over hun werk.



Aan wie ligt dat dan?
Bijl: Dat is in de eerste plaats aan de kunstcritici die de werken niet ten volle begrijpen. Ze hebben hun huiswerk niet goed hebben gemaakt.



Is het net niet eigen aan kunst dat het niet altijd ten volle te begrijpen is? Het is geen wiskunde die te verklaren is, wat net het boeiende is natuurlijk.
Bijl: Er zijn een paar teksten over mijn werk met een andere interpretatie en andere invalshoek, die ik wel interessant vond, de rest was ofwel te algemeen ofwel totaal fout.



Zijn die verschillende interpretaties niet net boeiend? Want eigenlijk bent u de enige die ook perfect uw eigen kunst begrijpt en er dus best zou kunnen over schrijven…
Bijl: Daarom, heb ik ook enkele teksten zelf geschreven. In mijn geval is het wel zo dat je mijn werk ten volle moet begrijpen en beleven , anders is het simpelweg fout. Die interpretatie mag geen andere betekenis aan het werk geven, dan deze die ik zelf voor ogen heb, om te beginnen.



Wil je iets vertellen over dat nicc?
Bijl: Ik heb dat mee opgericht en vier jaar sociaal engagement gehad tegenover de kunstenaar. In Belgïe zijn wij samen met Griekenland en Portugal de minst bedeelde kunstenaars. We hebben de minste subsidies. Er is veel meer geld naar kunst gegaan in het algemeen, maar de individuele kunstenaar mag veelal op zijn kin kloppen. Voor de beeldende kunstenaar ligt dat rond 1% van het geheel. (120 miljoen euro algemeen naar beeldende kunst per jaar in Vlaanderen, 800.000 euro naar de individuele kunstenaarssubsidies, reken maar uit). Daarom engageer ik me terug in het nicc en vooral naar jonge kunstenaars toe, want er is nog veel werk voor de boeg om onze sociale situatie te verbeteren.



Hoe belangrijk is een galerij?
Bijl: Heel belangrijk, want die kunnen ook een commerciële waarde aan kunst toekennen, wat soms niet strookt met de echte waarde van die kunst. Galerijen kunnen de prijzen in de kunstmarkt ook artificieel naar boven trekken, anderzijds zijn ze praktisch onmisbaar voor de verkoop en de promotie van de kunstenaar. Anderzijds heeft de marktwaarde meestal weinig te maken met de historische waarde van de kunstenaar.



Een slotvraagje dat ik veel stel: wat wil je dat ze later op je grafzerk zetten?
Bijl: Wat een belachelijke vraag!



Maar nee, zo kom ik te weten wie zich belangrijker voelt als mens, en wie zich belangrijk voelt als kunstenaar, of net beide. Hoe wil je later herinnerd worden? Als iemand die de Belgische kunst in veranderd heeft of…?



Bijl: Ik ben niet bepaald een voorstander van het werk van Damien Hirst en ook niet van zijn stappen in de kunstmarkt, omdat ik die wat te commerciëel vind. Maar diezelfde vraag werd hem gesteld in een interview en hij antwoordde: “dat ik goed was in bed.” (lacht) Ik vond dat een goed antwoord op een te stereotiepe vraag. Geef mij maar de belangstelling in het leven!



Hilde Van Canneyt, Antwerpen, zo 26 april ’09.



Met dank aan Croxhapox.



Guillaume Bijl stelt tentoon:
Biennale van Venetie / Danisch Paviljon, Venice
The State of Things / Palais de Beaux Arts, Brussels
Space revised / Halle für Kunst, Lüneburg











maandag 18 mei 2009

interview met stéphanie leblon

Ik heb met kunstschilder Stéphanie Leblon afgesproken in haar atelier, gelegen in het begijnhof in de Lange Violettestraat te Gent. We gingen het eerst over de tien geboden hebben, maar toen stelde Stéphanie voor haar tien schilderijen - bedoeld voor haar solo in Galerie Jan Dhaese – één voor één te bespreken en te beschouwen. Het was een eer haar schilderijen in avant-première te mogen aanschouwen en met een frisse blik mijn bevindingen te mogen uiten. Ze heeft er een fan bij.



1° 'Fluistering'


Hilde Van Canneyt : Ik zie op het eerste gezicht een slapende, oudere, gesettelde man die ingesnoerd zit in een gele ‘lijn’ met uitsteeksels. Hoe ben je tot dat werk gekomen?

Stéphanie Leblon: Voor deze reeks, gemaakt voor mijn tentoonstelling in Galerie Jan Dhaese, ben ik vertrokken vanuit foto’s van paranormale ‘toestanden’. Voordien had ik een reeks gemaakt rond fanfares, rond optreden en spelen. In het laatste schilderij dat ik voor die reeks maakte, beeldde ik een trapleuning af uit een spookhuis. Daarvoor heb ik een foto gebruikt uit de beginperiode van de fotografie, toen er nog gedacht werd dat men spoken ging kunnen vastleggen op foto’s. Ik begon tekeningen te maken naar die mooie oude foto’s, maar tegelijkertijd vroeg ik me af wat me daaraan bleef intrigeren: dat was de poging om het onverklaarbare, het ongrijpbare vast te leggen. Rond die zoektocht heb ik de hele tentoonstelling opgebouwd. Deze man op dit schilderij is langs de ene kant vrij vlezig en zwaar, maar bevat ook een bepaalde lichtheid. Hij denkt na of slaapt. Die gele lijn doet inderdaad denken aan iets i.v.m. statistiek, om iets op te meten. In die zin vind ik de tegenstelling in dit schilderij interessant.


Heb je die rode lijn, als een injectie in zijn hals bijna, daar bewust geplaatst?

Leblon: Nee, dat is meer een soort kader dat ik daar plaatste. De man zit eigenlijk geframed, opgemeten, wat extra effect genereert.



2° Memoires van een dromer

We zien terug een portret van een oudere man met een soort oud meetinstrument.

Leblon: Het stelt een slapende man voor, maar ik heb het schilderij gekanteld, zo dat het slapen meer een activiteit wordt. Later heb ik het meetinstrument erbij geschilderd. De kop is vrij vlezig weergegeven, de rest is - in tegenstelling - heel vluchtig, schetsmatig en schraal geschilderd. De activiteit van het opmeten van dromen en gedachten wordt hierdoor heel duidelijk voor mij.


Het fotomateriaal van waaruit je vertrekt, betreft dat ook foto’s van zieke mensen?

Leblon: Mijn relatie met fotografie is van die aard dat ik echt overal beelden vind die me een klik geven en waarvan ik voel dat ik er iets mee kan doen. Die vind ik zowel op internet, in kranten, als in encyclopedieën, die ik dan samen mix. Ik schilder nooit zomaar één kop na.



3)° De bedenkelijke gedachte

Laat ons eerst verder de mannen in het rijtje nemen… Dit schilderij is in vergelijking met de twee vorige, eerder surrealistisch – al is dit geen goed woord voor dit werk - maar ik bedoel dat die persoon hier even goed dood kan zijn. Hij lijkt wel een droombeeld van een dode.

Leblon: Ik denk dat, doordat de achtergrond vrij doorwerkt is met die lijnen, er een ander evenwicht is tussen voor- en achtergrond. Het zit er meer in verweven, waardoor hij meer binnenin het schilderij wordt geduwd.


Had je dat beeld al vooraf in je hoofd?

Leblon: Ik kom altijd vrij goed voorbereid in mijn atelier toe. Ik weet meestal wat ik ga doen, maar terwijl ik aan het werk ben ,vergeet ik mijn voorbereiding en laat ik de dingen gebeuren.


Bedoel je dat je eerst een potloodschets van je schilderijen maakt?

Leblon: Inderdaad. Dit is wel één van mijn laatste portretten, dus het idee van wat ik wou doen, zat wel al enorm in mijn handen. In die zin voelde ik hier niet zoveel behoefte om veel op voorhand uit te werken.


Ben je hier al onmiddellijk tot de essentie kunnen komen van wat je in je andere portretten wilde vertellen?

Leblon: Inderdaad.


Die blauwe kleur, is dat puur intuïtief geschilderd?

Leblon: Ja, puur intuïtief. Kijk, ik werk met olieverf en werk niet helemaal nat in nat, in die zin dat er altijd een droogproces in zit. Het werk begint met een eerste grondlaag, tussendoor werk ik aan een tweede schilderij, enzoverder… Sowieso groeien mijn schilderijen vrij organisch. Iedere dag maak ik een balans op van wat er gebeurd is en denk ik: morgen doe ik dat, maar dan kom ik de dag nadien in m’n atelier en heb ik weer een ander idee… Ik was met die okerkleur begonnen en voelde ook dat die kleur heel belangrijk was. Dat hoofd had ik ook al in andere schilderijen gebruikt, maar ik voelde dat ik uit dat hoofd nog meer kon uithalen en voor mij staat het hier nu juist.


Nog eens naar dat nat in nat, wat heb je daar op tegen?

Leblon: Niks, maar pas als de ondergrond goed droog is, heb ik het gevoel dat ik er goed op kan werken.


Ik vind dit een sterk werk, Stéphanie!




4° Noise


Je zou denken, dit is nu al de vierde man, er zal wel iets gelijkend inzitten, maar toch voel je een andere sfeer. Ik zit niet te denken, wéér ‘nen ventekop’…

Leblon: (lacht) Met mannen val je nooit in herhaling, Hilde…


Nee?

Even serieus, dit schilderij straalt wéér een andere sfeer uit… Hou je van dat woord of vind je het vies als ik dat woord gebruik?

Leblon: Ik hou wel van dat woord…


Je hebt kunst zonder sfeer, maar als het kunstwerk een sfeer uitstraalt, is er tenminste al een gemoedstoestand die bij de kijker wordt losgemaakt. Als we het over mooi moeten hebben… tja, ik kan er nu nog geen antwoord op geven.... misschien straks…

Leblon: Door het feit dat hij onder die nek geklemd zit, maar langs de andere kant misschien heel vredig ligt te slapen - al zou hij ook dood kunnen zijn – voel je inderdaad op het op het eerste zicht beklemming. Als dat hoofd weg zou zijn, zou het ook een abstract werk kunnen zijn.


Ik ben op het eerste zicht nog meer gefascineerd door je kleurenlijnen en speelse elementen vooraan. Ook de potloodlijnen die er nog doorkomen maken het extra sterk.

Leblon: Het schilderij heet ‘Noise’ omdat hij zich afwendt. Hij heeft ook zo’n pijnlijke grimas. Het is een vorm van actieve pijn, in die zin is het anders van sfeer. Hij heeft ook iets vrijers dan die dromer, al zit hij ook wat geklemd tussen de lijnen van het schilderij.


Hij straalt ook iets heel verdrietigs uit…

Leblon: Dat zijn inderdaad allemaal interpretaties die erbij horen. Mijn inspiratie komt van een foto van iemand die keihard op iets aan het duwen was, als een experiment. Wat gebeurt er als je keihard op iets duwt? Als je de context weg laat, kom je tot een resultaat dat voor verschillende interpretaties vatbaar is.




5° Testcase II


In je vorige portretten kwamen die ziektebeelden meer naar boven, hier voelen we voor het eerst dat paranormale. Het doet me wat aan de sfeer van het Dr. Guislainmuseum denken. Zelfs al had je dat rode bolletje dat letterlijk tussen zijn handen zweeft niet geschilderd, dan nog zou er dat paranormale, ietwat lugubere sfeertje opgeroepen worden. Aan zijn gezicht kan je zien dat de man helemaal opgaat in het proces.

Leblon: Het was ook één van mijn eerste schilderijen, het schilderij staat nog heel dicht bij het begin van die foto’s. Ik vond het heel belangrijk dat niet alle beelden het paranormale ‘op zich’ gingen tonen. Anders werd het al gauw een rariteitenkabinet. Ik had behoefte er dieper op in te gaan en te zoeken naar de essentie. Ik ben meer geïnteresseerd in het experiment en in het zoeken.


Dit werk zou ook door iemand anders kunnen geschilderd zijn, maar dat kan je als een compliment opvatten hoor…

Leblon: Je voelt dat dit schilderij een beetje een andere sfeer heeft, maar ik vind dat het er daarom ook net bijhoort, omdat het wat tegengewicht biedt voor de andere schilderijen.


Heb je dubbel zoveel schilderijen gemaakt als deze tien die jij me hier als preview in je atelier laat zien?

Leblon: Zeker.


Op welke basis heb je deze tien werken gekozen? Moeten ze bij elkaar ‘passen’ op de expo?

Leblon: Nee, ik kies voor werken waarvan ik voel dat ze standhouden.


Uiteindelijk staan de schilderijen op zichzelf. Soms heb ik op tentoonstellingen het gevoel dat alles teveel in het plaatje van de desbetreffende expo moet passen. Er moet inderdaad een verhaal zijn, maar uiteindelijk moet ieder schilderij er op zich staan. Ik vind het wel goed dat je dat hebt laten overheersen.

Leblon: Je hebt natuurlijk die tentoonstelling die zeker moet kloppen, maar er is ook telkens de ontmoeting met het schilderij apart, en dat moet ook kloppen. Alhoewel ik het wel belangrijk vind tijdens het schilderen in functie van een tentoonstelling te denken. Dat dwingt je om keuzes te maken.


Hoe lang heb je naar deze expo in de Galerie Jan Dhaese toegewerkt?

Leblon: Anderhalf jaar.


Hoe ga je te werk met je formaten? Zijn die intuïtief gekozen? Omdat ze heel wisselend van formaat zijn… veel schilders kiezen hetzelfde formaat in functie van een expo.

Leblon: Ik kies mijn formaten volgens het beeld en het aanvoelen.


Je werkt redelijk klein voor een schilder…

Leblon: Toch bij deze reeks, omdat dit een intimistisch thema is. Het gaat over een zeer kwetsbaar iets en in dat klein formaat zit het beter in balans. Als je op groot formaat werkt, ‘blow je de dingen op’. Als je een kop groter schildert dan zijn werkelijke grootte, dan is die communicatie ook helemaal anders. Ik vond het heel fijn om op dezelfde hoogte te communiceren met de toeschouwer. De formaten van de hoofden kloppen min of meer met de werkelijke grootte, zo dat je in die kop kan binnendringen. Het nodigt de toeschouwer ook uit om op onderzoek te gaan binnen het schilderij. Hoe de afgebeelden bijna in hun eigen hoofd kruipen, zo kan ook de toeschouwer op zijn beurt ook ‘in het schilderij kruipen’.


Dit werk heet Testcase II, hoe belangrijk zijn titels voor jou?

Leblon: Ze zijn toch wel van belang omdat je zo de interpretaties en associaties wat kan (tegen)sturen… ze worden mettertijd belangrijker.


Nochtans zijn titels in de figuratieve schilderkunst doorgaans niet zo belangrijk, zeker niet in vergelijking met bijvoorbeeld conceptuele of abstracte kunst.

Leblon: Het ontstaat organisch hoor, veelal nadat ik het schilderij gemaakt heb, soms ook tijdens. Woorden plaatsten bij het werk hoort bij het proces.


Vind je het zonde dat de titels ontbreken als je naar een andere tentoonstelling gaat?

Leblon: Het hangt ervan van. Ik werk vanuit het figuratieve, en daardoor is de taal een ondersteuning van het werk, het duidt het meer. Bij mij is dat noodzakelijk, maar dat hangt af van het standpunt van de kunstenaar tegenover schilderkunst.


Doordat je titels geeft, gaat de kijker weeral anders naar je werk kijken.

Leblon: Sommige titels duwen de kijker net in de richting of net tegenovergesteld. Maar ik heb een werk dat Roze en oranje heet, welja, dat is meer een persoonlijke titel voor mezelf. Voor de kijker is die titel gewoon neutraal, maar voor mij was dat roze belangrijk terwijl ik het maakte.





6° testcase III


Dit werk is op het eerste zicht het meest in het oog springende, een echte eyecatcher, zoals een popsong. Je andere werken zijn subtieler, zoals een song die je een paar keer moet beluisteren vooraleer je erin komt. Het is ook je meest commerciële werk, denk ik. Mensen die minder van schilderkunst kennen, gaan deels door die rode bollen en deels door de manier van schilderen ook tot dit werk aangetrokken worden.

Leblon: Dat is dan ook het beeld dat op de uitnodiging staat. Die rode bollen op die proppen watten dienen om druk te geven op haar ogen. Het meisje kan ook niet horen, want ze zit met een soort koptelefoon op haar oren. Ze is echt afgesloten van alles en heeft ook geen blik. De figuur zit nog meer dan de andere personages in mijn schilderij volledig in haar cocon. Het is eigenlijk een experiment: als je drukt op de ogen, wat zie je dan?


Hier vallen me weeral de oude meetinstrumenten op, totaal onhedendaags.

Leblon: Ik wil bewust geen hedendaagse instrumenten gebruiken, omdat je die minder ‘voelt’… Die oude instrumenten tonen nog meer het onderzoek aan, vind ik.




7° Vier gele stippen op een lijn


Wat zien we? Een hand met onderaan een soort caravan van bewegende stippen… speciaal werk… ik probeer er een gevoel bij op te roepen, maar kan niet echt iets vinden, dus laat ik er jou over vertellen.

Leblon: Mijn ‘handen’ zijn constant bezig met activiteiten die niet definieerbaar zijn. Wat ik altijd heel sterk vind, is het idee van braille lezen, dat je letterlijk door wat je voelt in een andere wereld komt. In feite zijn al mijn ‘handen’ met een ongedefinieerd onderzoek bezig in een ongedefinieerde ruimte. Letterlijk aan het wroeten en tasten. Eigenlijk weten die handen ook niet juist waarnaar ze op zoek zijn. Daarom vond ik het boeiend die handen te kopiëren, los van een blik. Nergens in deze tentoonstelling is er een rechtstreekse blik. Alle ogen zijn dicht of geven geen bijkomende informatie, alle handen zitten weg, niks geeft bijkomende informatie. Het letterlijk tasten in het duister?


Hebben die gele stippen een betekenis?

Leblon: Ik wil mijn ‘handen’ in een ongedefinieerd landschap zetten en dat is mijn oplossing daarvoor. Ik vond het heel mooi ze zo weer te geven. De titel heet ook ‘Vier gele stippen op een lijn’. De foto waarnaar ik werkte, was een science fiction-achtig landschap, waarvan ik alles heb weggelaten, behalve die vier stippen.


Waarom schilderkunst meer bij mij losmaakt dan andere beeldende kunst, heeft precies te maken met die hand die je voelt, die penseelstreken die je maar niet loslaten. Ik voel bij jouw schilderijen dat iedere lijn klopt en ik heb nergens het gevoel dat er een penseelveeg te veel of te weinig opstaat. Meestal heb ik zin om me te moeien met en in het schilderij, waarschijnlijk tot ergernis van de schilder, of kan ik het niet laten te zeggen van: “daar rechts ontbreekt er iets” of “zou je je kleuren niet aanpassen?” of “je compositie klopt niet”…

Op het eerste gezicht leken ze me niet ‘af’, maar nu we ze één voor één voor ons tegen de muur hangen, zie ik dat ze echt wel helemaal er stààn.





°8 Roze en oranje



Hier zien we meer, zoals bij je hoofden, de praktijken met die meetinstrumenten, het zoeken…

Leblon: Dit beeld komt uit een heel klassieke operatie. Het heet Roze en oranje doordat ik de handen heb losgemaakt van het lichaam en ze in een soort cleane omgeving plaatste. Alleen maar door die bruine lijnen toe te voegen, krijgt het een andere connotatie. Het lijkt een beetje aan te tonen: dààr gebeurt het onderzoek.


Dit schilderij doet me wat aan Michaël Borremans’ werk denken, door die handen die spelen in hun eigen wereldje. Ben je door hem beïnvloed?

Leblon: Ik voel me verwant met de hedendaagse schilderkunst. Ik kan me dus best voorstellen dat er daar linken mee te leggen zijn.


Ben je nog door andere kunstenaars beïnvloed geweest? Nu of vroeger?

Leblon: Ik vind het sowieso belangrijk andere schilders te bestuderen. Zo heeft de Nederlandse schilder René Daniels me echt van mijn sokken geblazen met zijn expo in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Ik ben zelfs driemaal teruggeweest. Terry Winters vind ik ook heel interessant, hij schildert abstract, en is heel erg bezig met het ruimtelijke van een schilderij. Het kijken naar andere schilderijen heeft inderdaad heel erg mijn mening beïnvloed.





9° Blauwdruk


Dit schilderij lijkt me ‘duidelijker’ dan de andere, hoewel het in de lijn ligt van je vorige schilderijen ligt. Je kan er niet naast kijken, het heeft weer te maken met ‘onderzoek’. De statistieklijnen zijn hier erg aanwezig. Je zou het bijna een duo-schilderij met je vorige schilderij kunnen noemen.

Leblon: Zo zou je het inderdaad kunnen stellen, hoewel dit meer het zoeken en het wroeten is en het andere tactieler is.


Voor dit werk heb ik eigenlijk geen woorden om uit te drukken wat het is en wat het nu precies met me doet, dus zal het wel goed zijn…

Leblon: Laten we het daar dan maar bij laten! (lacht)





°10 De opgemeten toestand



Om af te sluiten schotel je mij nog een schilderij voor waar geen hoofd of hand te bekennen is. Wat zie ik? Het lijkt een speels werk, je ziet of voelt er op het eerste zicht het onderzoek niet echt in. Het fascineert me, maar brengt me niet echt in een droomwereld. Je voelt dat het niet zomaar een abstract werk is. Ik zie dat je ons een wereld wil laten zien, maar ik weet niet echt welke wereld, dus vertel!

Leblon: Dit schilderij heeft de titel van deze tentoonstelling: ‘De opgemeten toestand’. Ik vond het heel leuk om nog een werk te hebben dat ‘het totaalbeeld’ van de expo terug wat doorbreekt. Die mensen die ik afbeeldde waren telkens naar een mentale ruimte aan het gaan, ze zaten in een bepaalde zoektocht en dit zou in feite die ruimte kunnen zijn. Ik ben vertrokken vanuit een foto van een ingewikkeld soort machine met bolletjes erin. Die rode bollen die als onderzoeksobjecten nu ergens via een rode lijn verbonden zijn en in een soort ongedefinieerde ruimte hangen. Het is ook een ruimte die meer vragen oproept dan antwoorden biedt.


Dat is wel een mooie en trefzekere laatste zin. Ik vind wel dat ze klopt…



Hilde Van Canneyt, do 30 april ’09.


Met dank aan Croxhapox.


Stéphanie Leblon exposeert in de Gentse galerie Jan Dhaese van 10 mei tot 21 juni ’09.

en van 25 juni tem 15 september 2009 groepstentoonstelling 'Fading' museum Elsene









------------------------------------------------------------------------------------

zaterdag 2 mei 2009

interview met michaël borremans en manor grunewald

Interview met Michaël Borremans (’63) en Manor Grunewald (‘85 ).

Beide kunstenaars verwittigen me op voorhand dat ze interviews met kunstenaars niet interessant vinden en dit interview achteraf ook niet willen nalezen. Ze willen ook geen foto’s van hun werken bij het interview. ‘Ik wil een heel droog interview’ zegt Borremans. Dus bij deze… het leven zoals het is: beeldend kunstenaars…


Hilde Van Canneyt: Hallo Michaël en Manor. Waar hebben jullie elkaar leren kennen?

Borremans: In 2006 gaf Manor mij een uitnodiging van zijn tentoonstelling en nadien zijn we elkaar blijven tegenkomen. Manor is echt wel een sympathieke gast.


Ken je zijn werk?

Borremans: Euh, ik ben vandaag voor het eerst naar zijn website gaan kijken… Grunewald is een Duitse naam en het viel me wel op dat zijn werk heel Duits is…


Manor, hoe stel jij je voor aan mensen die jou niet kennen.

Grunewald: Ik stel me voor als schilder; “kunstenaar” is zo’n vuil, geladen woord; “schilder” klinkt beter.

Borremans: Ik zeg “kunstenaar”, maar ik vind het wel fijn en zie het als een compliment als mensen me schilder noemen, want dat wil zeggen dat ik de mensen goed misleid heb. Ik ben eigenlijk een valse schilder, ik maak misbruik van dat medium. Ik ben schilder geworden omdat je daar trucs kan mee uithalen.

Grunewald: Ik vind het interessant om vanuit het medium schilderkunst te vertrekken naar andere mediums, dat is voor mij het meest evidente, en zo benader ik ook mijn sculpturen.


Hoe zag jullie werkdag eruit vandaag?

Borremans: Ik heb nu een periode dat ik niet werk. Ik had een tentoonstelling in New York en volgende maand één in Hannover en in between ontwijk ik mijn atelier.

Grunewald: Bij mij is het ook kalmer doordat ik net in Brugge een expo heb opgezet, dus heb ik in mijn atelier wat testen gedaan op groot doek, erop zitten dweilen.

Borremans: Ik heb wel facturen betaald vandaag! Dat is ook hard werken. (lacht)


Manor, vandaag verscheen je eerste artikel in H-art, hoe voelde dat? Heb je het gevoel dat je nu bij de kliek van gerespecteerde ‘hedendaagse kunstenaars’ behoort?

Grunewald: Zo denk ik daar niet over. Ik was aangenaam verrast dat die vrouw mij contacteerde, maar was eigenlijk meer nieuwsgierig naar wat zij ervan gemaakt had.

Borremans: Ik lees H-art niet graag, dat is voor kunstliefhebbers…


Leg eens uit.

Borremans: Je krijgt een weerslag van wat er gebeurt in de kunstwereld, maar als ik daar in kijk, voel ik me er niet goed bij. Dan ben ik totaal ontregeld en gedesoriënteerd. Ikzelf zit liever gewoon in mijn cocon…

Grunewald: Je ziet het als de Dag Allemaal voor kunstenaars?

Borremans: Zoiets! Nee hoor, voor mensen die geïnteresseerd zijn in kunst, die willen volgen wat er gebeurt. Het is een bruikbaar iets en het is goed dat het er is.


Leest u andere tijdschriften?

Borremans: Bij de tandarts. Nee, serieus, ik koop geen kunsttijdschriften.


Dan leert u ook geen nieuwe kunstenaars kennen?

Borremans: Ik ken er dan ook heel weinig...


Hebt u het gevoel iets van schilderkunst te kennen?

Borremans: Ook niet. Ik vind het net heel interessant dat ik vanuit een eng perspectief zo met de dingen om ga, dat is een beperking, maar ook een vorm van minimalisme waardoor ik beter kan functioneren. Ik kies zelf waarmee ik geconfronteerd word en wil, voor zover dat mogelijk is, die zaken onder controle houden. Je kan niet alles toelaten, anders krijg je teveel input en word je compleet fucked-up. Ik ben daar nogal gevoelig voor.


Als een galerijhouder met u praat over andere kunstenaars, moet u dus constant zeggen: ‘die ken ik niet’.

Borremans: Inderdaad.

Grunewald: Ik lees wel H-art, maar geef toe dat veel andere kunsttijdschriften toch op de collectioneurs gericht zijn.


Manor, jij bent autodidact, vind je dat een beperking?

Grunewald: Integendeel. Als ik mijn jaren op de kunstschool uitgedaan had, zou ik nog meer in de war zijn. Ik wil zelf ondervinden. Zelfstudie vind ik belangrijker dan babbelen over mijn werk, want dat interesseert me niet. Ik doe dat ook niet met andere mensen, ik vind dat niet belangrijk. Ik ga ook niet bij andere kunstenaars dieper op hun werk ingaan, dat interesseert mij niet. Ook ’s avonds op café niet.


Moet jullie vriendin iets van kunst kennen of hebben jullie liever een verpleegstertje die voor jullie zorgt?

Borremans: Hilde, wil je mijn privé-leven hier wel even buiten houden als het niet geeft? Als ik daar over begin dan zijn we wel een eindje bezig… Van mijn vorige vriendin - waar ik lang mee samen was - kreeg ik wel eens goede feedback. Dat is bijna een voorwaarde voor een vriendin, dat ik een soort intelligente feedback terugkrijg. Ik heb dat wel nodig, ook van andere mensen.

Grunewald: Interesse is ook iets anders dan kennis. Dus ja, mijn vriendin moet geïnteresseerd zijn.


Het is dus voldoende dat ze daarvoor op het gevoel afgaan?

Borremans: Dat gaat zo. Je wordt geconfronteerd met een beeld, een artefact, en je merkt onmiddellijk als je het toont aan de ander of het functioneert of niet.


Wat doet liefde bij jullie in de kunst?

Borremans: Als het slecht gaat in de liefde, is dat goed voor de kunst, gaat het goed in de liefde, dan is dat ook goed voor de kunst. Een liefde kan inspirerend werken en geen liefde kan ook inspirerend werken. Maar het is niet omdat er liefde is dat je slechte kunst zou maken.

Grunewald: Als je werkt aan een oeuvre in het algemeen, ga je niet afhankelijk zijn van kleine toestanden in je leven. Wijzelf gaan die toestanden in bepaalde werken wel terug kunnen ophalen, maar iemand anders niet.


Michaël, herinner u zich nog de eerste maal dat er iets over u gepubliceerd werd?

Borremans: Daar kan ik me niks specifieks meer van herinneren, maar ik herinner me wel de periode – ik ben pas laat gedebuteerd als schilder – dat ik bevestigd werd als schilder. Ik wist en voelde al langer wat ik kon, maar dat werd nu ook door de buitenwereld bevestigd. Het was zo van: toch nog! Ik heb daar dus wel van kunnen genieten.


In al je biografieën zie ik als eerste uw tentoonstelling in Croxhapox staan. Herinnert u zich die expo nog (in ’96) ?

Borremans: Ja hoor, ik heb er twee keer schilderijen tentoongesteld, en telkens was het een heel interessante ervaring.

Grunewald: Het marcheert en bruist daar wel.

Borremans: Als ‘jonge’ kunstenaar kreeg ik daar de nodige feedback. Ik vond dat heel positief.


Waren er toen onmiddellijk mensen die op uw werk vlogen, die voorspelden ‘hoe groot’ u ging worden?

Borremans: Nee, dat was eigenlijk heel beperkt hoor, je verkocht daar ook niks of zo. Maar die kritische feedback was wel heel interessant, iets dat ik tegenwoordig nog veel te weinig hoor. Ik vind dat heel vervelend. Trouwens ook in het algemeen, we zijn allemaal veel te lief voor elkaar. Als je iets te veel zegt, wordt dat onmiddellijk heel persoonlijk genomen.


Uw expo in New York onlangs oogstte veel positieve bijval. Is zo’n expo gewoon een verzameling schilderijen, of werkt u daar bewust naar toe?

Borremans: Ik heb dat minutieus voorbereid. Ik heb zelfs een maquette toegestuurd gekregen van de ruimte waar ik tentoonstelde.


De films die u daar tentoonstelde waren - naar verluid - fantastisch. Als je, zoals ik, nog nooit een film van u gezien hebt, wat mis je dan?

Borremans: Dat is een rare vraag… ik denk niet dat je iets mist hoor. Kijk, ik ben bezig met die schilderijen, en soms kom ik tot een beeld en heb ik intuïtief het gevoel dat het interessant zou zijn als daar een element van beweging zou inzitten. Sommige van mijn schilderijen zijn in wezen sculpturen, maar ik heb niet de know-how om dat uit te voeren.


Hebt u geen zin om te wroeten in klei?

Borremans: Nee, absoluut niet, maar ik wil het wel graag updaten. Ik ben dan beginnen experimenteren met film en wou zien hoe dat zou werken. Ik presenteerde mijn films ook een beetje zoals schilderijen. Ik verwacht dat mensen op dezelfde manier met mijn films omgaan zoals ze met mijn schilderijen omgaan. Ze moeten al boeiend zijn als je er twee seconden naar kijkt. Ze gaan verder in een continue ‘loop’, het is zelfs niet de bedoeling dat je ze uitkijkt. Ze zijn aanwezig in de ruimte, zoals een ander kunstwerk.

Grunewald: Inderdaad, als een filmpje twintig minuten duurt heb ik daar al geen zin meer in, dat moet mij direct boeien, ik wil daar onmiddelijk in opgezogen worden. Als ik een goed schilderij zie, heb ik dat ook.


Gaat het voor u puur om het beeld, een soort schoonheid van een beeld?

Borremans: Schoonheid of whatever. We zijn zodanig gewend en geconditioneerd dat film een verhaalstructuur heeft, terwijl bij het ontstaan van de film daar heel veel mee geëxperimenteerd is. Ik ent me op die oude traditie van omgaan met film. Ik benader het vanuit het perspectief van de schilderkunst. Mensen vragen me soms ook om een film te screenen op een festival of zo, maar dat is niet mijn bedoeling.


Het feit dat u 'film' maakt heeft dan te maken met het medium, het feit dat u niet alles kwijt kan in de schilderkunst?

Borremans: Maar nee, het is niet het feit dat ik vind dat ik niet alles kwijt kan in de schilderkunst, het is gewoon een neiging die ik had om daar eens iets mee te proberen… en dat is blijven groeien.



Stel dat u negatieve kritiek zou krijgen op uw films, krantenkoppen die luiden als: ‘Borremans kan het niet meer’. Zou u dan tóch nog verder met dat medium werken?

Borremans: Ik zou willen dat ik die negatieve, maar gefundeerde en relevante kritiek kreeg, dan zou ik daar veel aan hebben.


Leest u alleen maar positieve recensies over uw werk?

Borremans: Inderdaad, en dat is heel goed, maar eigenlijk heb ik daar niet veel aan.


Ik kan me inderdaad voorstellen dat u ’s ochtends in de krant een positieve recensie leest, maar tien minuten later uzelf in uw atelier weer de grootste loser vindt.

Grunewald: Mijn artikel in H-art deed me na vijf minuten ook niks meer.

Borremans: In je atelier word je inderdaad weer met jezelf geconfronteerd. Het is niet omdat je op een bepaald moment succes hebt, dat het plots makkelijker wordt om een volgend werk te maken. Dat heeft daar eigenlijk niks mee te maken.

Grunewald: De criteria voor je werk worden dan plots veel hoger omdat de mensen een verwachtingspatroon creëren over je werk, zodat je het niet meer kan maken om met een minder geslaagd werk af te komen. Hang negen goede doeken in een tentoonstelling en één slecht, en het zal alleen nog maar over dat ene slechte gaan, de rest zien de mensen al over het oog, dus die slechte werken, dat kan je niet maken hé.

Borremans: Dat is niet waar hoor. Succesvolle kunstenaars beginnen soms slecht werk te maken en niemand zegt er iets van.


Lonkt dat gevaar ook voor u, Michaël?

Borremans: Inderdaad, de vraag naar mijn werk is groot, ik zou kunnen proberen om aan die vraag te voldoen. Ik zou kunnen werken met assistenten en op korte tijd heel veel poen scheppen, maar zo marcheert het niet.

Grunewald: Je werk moet er zich ook toe lenen dat te doen natuurlijk, als je een Jeff Koons bent, dan klopt dat bijvoorbeeld bij het oeuvre.


Hebt u het gevoel dat u uzelf telkens weer moet vernieuwen? Bent u niet bang dat ze u binnen dertig jaar verwijten dat u altijd op dezelfde thema’s hebt verder gewerkt?

Borremans: Er zijn een aantal thema’s waarrond ik werken omdat ik ze nooit beu word.


Manor, jij hebt nu in Brugge een expo in de Bogardenkapel (is ondertussen al voorbij, red) Hoe heb je die expo opgevat?

Grunewald: Ik vond de lokatie interessant en wilde daarom ook iets aanvangen met die ruimte. Niet zomaar iets ophangen, want daar heb je niet veel aan. Het totaalbeeld van een tentoonstelling moet kloppen, ik ben daar dan ook een half jaar op voorhand aan begonnen. Omdat het in een kapel was, wilde ik een soort catacombenaltaarstuk creëren voor die ruimte. Ik ben wel vertrokken vanuit mijn schilderijen en collages, en zo functioneert het voor mij ook, als een collage. Je hebt grote witte wanden en daar zet ik dan een paar elementen voor, exact gepositioneerd. Ik heb er ook voor geopteerd om niet te veel schilderijen te tonen, twee aan elke wand, zodat de installatie nog meer naar voor kwam.


Was je tevreden over je ‘eigen’ expo?

Grunewald: Wel ja, omdat je altijd een verbrokkeld beeld hebt bij het maken van een installatie. Je kan dat op voorhand niet altijd goed inschatten in je atelier, maar het moet ruimtelijk kloppen natuurlijk.

Borremans: By the way, wat is eigenlijk de reden voor dit dubbelinterview?


Hilde: Wel, Manor vertelde me dat hij met u uit was geweest en toen vroeg ik hem of hij niet aan u wou vragen of u geïnteresseerd was in een bloginterview. Maar omdat ik nogal ‘opkijk’ naar uw werk, leek een dubbelinterview me ideaal om me wat achter te verstoppen.

Grunewald: Ik vond het interessant om twee verschillende generaties aan het woord te laten, ik ben 23 en Michaël is dubbel zo oud. Daarbij zitten we ook beiden in een andere fase van onze carrière. Die verschillende visies tegenover elkaar zetten leek me wel interessant.


Kijk jij op naar Michael Borremans’ werk, Manor?

Grunewald: Ik vind het interessant werk ik en heb al zijn boeken, maar opkijken is een groot woord.


Hoop jij, Manor - als je tweemaal zo oud zal zijn als nu - dat je een even goed en bekend schilder als Michaël zal zijn?

Grunewald: Tja, bekend… het essentiële voor mij is dat ik ook dan nog altijd mijn ‘ding’ kan doen, wat impliceert dat ik op mijn zeventigste nog altijd aan het schilderen wil zijn. Als ik daarvan kan leven is dat genoeg, meer hoeft niet echt. Michaël heeft dat ook niet zelf gecreëerd hé, dat is hem overkomen.

Borremans: Ik zou dat ook raar vinden als je daar zou naar streven.

Grunewald: Daar ben je toch niet mee bezig als kunstenaar

Borremans: Een carrière, dat is een tool hé. Dat is geen ultiem doel. Je hebt een carrière nodig omdat dat je een platform biedt. Je moet hett ergens in stand houden om je werk te tonen, het is een instrument die je gebruikt.


U zit nu toch in een comfortabele situatie waardoor u tijd en budget hebt, en waardoor u zich kunt opsluiten in uw atelier?

Borremans: Ja? (lacht)

Grunewald: Ik heb nu ook tijd en budget, door o.a. subsidies die ik krijg, en af en toe verkoop ik een werk. Had ik nog minder budget, zou ik mijn medium daaraan aanpassen en bijvoorbeeld enkel tekenen, wat goedkoper is.


Liever een arme, maar gelukkige kunstenaar dus?

Grunewald: Dat is een extreme stelling natuurlijk. Ik geniet ook wel van dat ietsje meer, maar als ik niet meer elke dag in mijn atelier kan werken, voel ik mij niet goed.


Krijgt u nog subsidies, Michaël?

Borremans: Ik heb dat niet nodig. De organisaties die mijn tentoonstellingen organiseren, vragen veelal subsidies aan, maar daar zit ik voor niets tussen.


Uw volgende expo in Hannover heet ‘Automat’. Waarom?

Borremans: Dat is de titel van een schilderij, maar het heeft ook te maken met een thema dat ik vaak bespeel: het geanimeerde en niet-geanimeerde dat ik met elkaar combineer. Met deze twee zaken probeer ik een staat van verwarring op te roepen. De lange traditie van de automaat stamt uit de 17e eeuw. Men maakte toen van die mechanische popjes die automatisch bewogen, en daar wil ik aan refereren. Het is een gegeven waar ik veel mee omga in mijn werk, de wijze waarop de mensheid zichzelf uitbeeldt. Ik recupereer dat in mijn schilderijen en zo heb je altijd een afbeelding van een afbeelding, wat een interessante afstand schept. Zoals de figuren uit 'la commedia dell’arte', dat zijn proto-types, het zijn geen echte individuen. Dit thema gebruik ik ook veel in mijn tekeningen, elke figuur die ik teken is een pion in een groter geheel. Ze zijn heel onpersoonlijk.


Is er een groot verschil tussen je expo in New York en je komende expo in Hannover?

Borremans: De expo in Hannover is een adaptatie van de show in New York. Ik zal het wel nog wat uitbreiden en op een andere manier presenteren. Voor mij is dat ook eens interessant, dat ik met dezelfde dingen een andere presentatie heb.


Bent u soms jaloers op Manor’s onbevangenheid? Want u moet toch veel meer denkwerk verrichten? Zou u graag terug in zijn schoenen staan en helemaal van nul herbeginnen?

Borremans: Nee, helemaal niet. Ik heb dat doorgemaakt. Trouwens, ik blijf heel onbevangen, het wordt zelfs erger, het verontrust mij soms. Ik word zelfs meer en meer onverantwoordelijk.


Zien jullie de romantiek van het kunstenaarschap zijn nog in, of vinden jullie het vooral ploeteren?

Borremans: Die twee gaan hand in hand.

Grunewald: Natuurlijk! Maar soms komen er zoveel andere dingen bij kijken, zoals paperassen en zo, waaroor je de romantiek soms wel vergeet.

Borremans: Kunstenaars die zeggen: “inspiratie bestaat niet, daar is niks romantisch aan, het is gewoon hard work”, die snap ik niet. Chuck Close – die ik trouwens een slechte schilder vind - heeft ooit eens gezegd dat hij niet gelooft in inspiratie. Wel, die man kent het niet, en dat zie je ook in zijn werk, het is echt niet geïnspireerd.


Hebt u een assistent, Michaël?

Borremans: Ik heb wel een assistent die mijn mails en allerlei vervelende dingen in orde brengt.


Een clichévraag: wat is jullie drijfveer?

Grunewald: Dat is iets onbewusts...

Borremans: Dat verschilt au fond eigenlijk niet veel van gasten die graffiti spuiten. Het is iets heel primair. Zoals een hond zijn plasje doet waar een andere hond dan aan gaat ruiken. Zo werkt het ook met kunst.


Hilde: Zo had ik het nog nooit bekeken…

Grunewald: Het is ook iets heel organisch. Je bent daar zodanig mee vergroeid dat het de normaalste zaak van de wereld is, het is niet iets waar je dikwijls bij stilstaat.


Maar u , Michaël, zou u ook in Curaçao een hutje kunnen kopen en daar gewoon verder gaan schilderen ipv hier te blijven in het koude Gent? U hebt er het budget voor…

Borrremans: Ik heb dat wel al een paar keer overwogen en ben dat nog aan het overwegen, maar niet naar Curaçao, dat spreekt me niet echt aan. (lacht)


Stel, u zit daar op zo’n prachtig eiland met allemaal mooie vrouwen rondom u, zou u dan ook nog nood voelen om te schilderen?

Borremans: Ik zou periodes hebben dat ik met die vrouwen bezig zou zijn en periodes hebben dat ik zou schilderen. Ik heb die twee polen nodig. Ik merk ook soms dat ik fases in mijn leven heb dat werken niet aan de orde komt. Maar als ik aan het werken ben, is dat ook heel intens.


Dus zelfs in een grot zou je nog de behoefte voelen om u beeldend uit te drukken?

Borremans: Als ik een oermens zou zijn, dan zou ik ook nog tekenen.


Zelfs als niemand die tekeningen ooit nog zou zien?

Borremans: Absoluut! Al doe je dat toch niet helemaal alleen voor jezelf. Zelfs die grottekening zal ooit iemand wel eens zien…


Zijn jullie in het atelier al bezig met het applaus dat jullie erna zullen krijgen?

Borremans: Ik toch niet.

Grunewald: Het is gewoon een manier van erkenning. Bij mij ontstaat een werk uit losse flarden. Nu mijn werk hier en daar opduikt, ben ik misschien inhoudelijk bewuster bezig met mijn ding. Ik wil in eerste instantie dat mensen een eigen invulling geven aan mijn werk, dat is net het interessante eraan. De titels die ik kies voor mijn werken zijn eigenlijk absurd gegeven bij het beeld zelf, maar dat doe ik dan ook om verwarring te schoppen bij de toeschouwer.


Zijn titels belangrijk?

Borremans: Natuurlijk. We zitten in een periode waarin we veel verwerkt hebben. In de 20e eeuw is er veel veranderd in de kunst. De kunst is helemaal geanalyseerd en omwenteld geweest. Dat zijn allemaal zaken die ertoe bijdragen dat we vandaag anders met kunst omgaan dan 50 jaar geleden.


U bedoelt dat titels extra sleutels voor hedendaagse kunst zijn?

Borremans: Voor mij maken titels een wezenlijk onderdeel uit van het kunstwerk. Omdat ze ergens sturen of net het tegendeel doen.


Is het nodig dat de kijker, voor ze de expo bezoekt, eerst een begeleidende tekst over jullie werk leest?

Borremans: Dat is niet noodzakelijk voor mij.

Grunewald: Voor mij ook niet.

Borremans: Het heeft lang geduurd vooraleer er over mijn werk interessante teksten zijn geschreven. Ik ben er wel blij om dat die er nu zijn.

Grunewald: Het is voor kunstcritici soms moeilijk te vatten waar je precies mee bezig bent.

Borremans: Ik vind het wel interessant dat die teksten bestaan, dat er een aantal aspecten van mijn werk geëxpliceerd worden. Daar is wel hier en daar behoefte aan.

Grunewald: Dat vind ik ook. Omdat ik met losse fragmenten werk – dingen die op zich niks betekenen – en deze dan hervorm tot nieuwe beelden, is dat zeker nodig. Want ik kan dat wel simpel uitleggen en mensen schrijven daar dan teksten over, maar meestal snappen ze het toch niet.

Borremans: Je hebt natuurlijk kunstenaars die heel theoretisch zijn ingesteld en dat wel kunnen.


Veelal wordt door beeldend kunstenaars toch beweerd dat het beeld voor zich moet spreken, dat het geen tekst en uitleg hoeft?

Grunewald: Een tekst op een tentoonstelling moet inderdaad bijzaak zijn. De essentie van een werk is in eerste instantie dat het iemand gewoon moet raken. Je moet daar naartoe gezogen worden. Het werk moet kloppen qua beeld.

Borremans: In de conceptuele kunst is het werk gewoon een illustratie bij het idee. De kunst is daar bijna bijzaak, al is dat misschien overdreven gesteld.

Grunewald: Maar zo marcheert het wel, als je de tekst niet gelezen hebt, zal je het niet vatten.

Borremans: Soms heb je wel het gevoel dat het werk zelf een residu is van de theorie.


Wat ik las in een ander interview met u en ik wel heel treffend vind is: ‘Een kunstwerk dat heel interessant is maar niet slaagt in zijn betekenisoverdracht is een mank kunstwerk’.

Borremans: We zijn weeral met beeld bezig hé…

Grunewald: Dat is de primaire noodzaak van een werk: het beeld. Als dat al niet klopt, moet je er voor de rest niet veel woorden aan vuil maken.

Borremans: Maar je hebt dat ook niet allemaal in de hand hé, er spelen ook toevallige factoren in mee. Het is voor de kunstenaar heel belangrijk dat een beeld potentiële overdracht en kwaliteit heeft. Een slechte kunstenaar zal dat niet zien. Dat is het verschil. Ik denk dat veel kunstenaars een schilderij kunnen maken, maar zich niet kunnen onderscheiden.

Grunewald: Ze zien niet wat goed of slecht is, ze zijn ook vlug content van zichzelf.

Borremans: Hoe dikwijls ga je niet naar een expo met 20 werken waar er maar twee uitschieters zijn? Wel, in feite zouden ze alleen maar die twee goeie werken moeten tonen.


Zijn er nog expo’s van anderen die jullie zich herinneren waardoor jullie compleet omver geblazen werden?

Borremans: Ik heb dat wel al enkele keren meegemaakt, maar ik heb een heel slecht geheugen.

Grunewald: Ik heb dat één maal gehad, maar wel op een dubbele manier. Dat was een expositie van een avondschool schilderkunst, de werken waren zelfs niet goed geschilderd, maar omdat die beelden zo naïef waren – een schilderij van hun chiwawa enzo – ontroerde mij dat enorm. Het voelde ook heel Vlaams aan die taferelen. Uiteindelijk is zo'n werk slecht, maar dan doet er niet toe, het maakt iets in je los.

Borremans: Als jonge gast zag ik een tentoonstelling van de etsen van Goya en daar was ik wel door platgeslagen. Of ge ziet ne keer nen goeien Rembrandt of Vermeer en denkt: et alors?


Ik had zoiets in het Hermitage in Sint-Petersburg, ik kon echt niet weg kon gaan van die Matisses of Kees van Dongens. In Keulen kon ik enkele jaren geleden geen afscheid nemen van de Hopper-tentoonstelling.

Borremans: Ik ken dat gevoel.


Zijn jullie ooit al verliefd geweest op een beeltenis van een schilderij?

Borremans: Natuurlijk.


Ik had dat bij je schilderij dat ik zag in Zeno X, een jongen met een groen masker. Er zit zo’n droevige blik in zijn ogen die me enorm fascineert. Ik heb daar toen een foto van getrokken en die hangt nu op mijn kamer, samen met dat meisje met die extra rode blos op haar wangen.


Borremans: Die jongen loopt hier rond in Gent Hilde, hij is wel nog maar 17 jaar…


Ahum...


Borremans: Het is nen wijzen gast. (lacht) Ik vind dat eigenlijk heel tof dat je dat doet. Er zijn zo nog beelden die je overal ziet, in massa, ik vind dat fantastisch! Ik denk dat mijn beelden beelden zijn die je niet helemaal kan definiëren, je bent er nooit mee klaar, het zijn open beelden. Daardoor blijven ze ook stààn, omdat je ze niet kan afwerken.

Grunewald: Als kunstenaar ga je sowieso al dingen zien in het dagelijkse leven die anderen misschien niet opmerken. Je definieert en creëert zelf beelden en dingen die je inspireren. Ik kan er ook erg van genieten ergens te zitten en te voelen dat alles klopt. Dingen die je onbewust oppikt.

Borremans: Ik ben daar wel bewust mee bezig hoor, het zijn dingen die ik in mijn werk ook toelaat.

Grunewald: Je moet wel een filter hebben hé.

Borremans: Ik weet: dit element heeft connotatie hier- of daarmee, met bijvoorbeeld kunstgeschiedenis. Het is altijd gelieerd aan een heleboel dingen die we kennen en die collectief zijn. Daarom is iedereen op een bepaald punt vertrouwd met de beelden die ik maak. Dat maakt mijn werk dan ook attractief en triggering.

Grunewald: Bij mij is dat meer onbewust, maar ik kan ook een krant openslaan en iets lulligs zien - zoals een hoek van een foto - en aanvoelen dat het een bruikbaar element kan zijn.

Borremans: Ik ben daar heel slinks en cunning in. Ik schilderde zo’n melkmeisje met een kapje die op de grond ligt, geïnspireerd op Vermeer. Wel, de manier waarop ze afgebeeld is -ze is waarschijnlijk dood, bijna de nek omgewrongen - en de manier waarop ze getoond wordt met die harde schaduw, is zoiets als forensische fotografie. Die combinatie heeft een enorme power en heeft een soort bipolariteit waardoor het niet te vatten is en heel erg aangrijpt. Dat komt niet toevallig tot stand dan, maar is heel doordacht.


U toont uw werk aan de hele wereld, maar u steekt er waarschijnlijk ook soms sarcastische of humoristische elementen in, zonder dat de kijker het daarom door heeft.

B: Ik heb inderdaad een heel groot podium, ik vind dat fantastisch! (lacht) De mensen zien inderdaad niet altijd wat ik bedoel, maar mijn werk appeleert ook aan het onderbewuste, want het onderbewuste kijkt altijd mee. Het is interessant om daar rekening mee te houd, maar er bestaat ook kunst waar uitdrukkelijk geen humor in voorkomt.


Zoals bij wie?

B: Christian Boltanski is een hele goede kunstenaar, maar heel ernstig. Voor mij is dat een zwak punt van dat werk. Een werk moet veel caleidoscopische mogelijkheden hebben qua benadering. Conceptuele kunst heeft dat veel minder natuurlijk.

G: Ik geef mijn schilderijen meestal titels die los staan van het werk. De titel ‘Let’s not talk about the IKEA colours’ heb ik gewoon aan een werk gegeven omdat er zo van dat blauw en geel uit het IKEA-logo in voorkwam. Mensen lezen dan die titel en zitten dan eigenlijk al direct vast. Ik misleid graag mensen.

B: Het publiek is zich niet altijd bewust van wat het ziet.


Maar jullie zijn soms al maanden vertrouwd met jullie eigen werk, terwijl wij het nog maar voor de eerste keer zien en als het meezit er misschien drie minuten naar kijken.

B: Een publiek moet zich niet bewust zijn van wat het ziet, want het werkt net omdat het appeleert aan dat onderbewuste.

G: Een titel is echt wel belangrijk. Stel: je schildert koning Albert en je geeft dat de titel ‘lul’, dan creëer je al iets heel tegenstrijdig. Je kan daardoor mensen met één woord direct van de kaart brengen.


PLASPAUZE


Wat is kunst trouwens?

B: Ik weet niet wat kunst is, maar ik weet wel vaak wat wel kunst is als het er op aankomt.

G: Voila, het zijn mensen die serieus bezig zijn met hun kunst die kunst maken.


Bent u daarmee akkoord, Michaël?


U hebt eigenlijk geluk, Michaël, dat u succes kent terwijl u nog leeft…

B: Veel kunstenaars kennen succes tijdens hun leven, dat is geen uitzondering, het is meer de regel. Jan Van Eyck werd ook goed betaald hoor.


Vinden jullie zich méér dan de gewone mens in de straat? Vinden jullie jezelf een soort van scheppende genieën?

B: Absoluut niet, dat is de fout van de toeschouwer. Die denkt dat de kunstenaar in zijn werk de geniale kunstenaar probeert te zijn en zijn publiek maar moet proberen te achterhalen wat de kunstenaar bedoeld heeft. Zo zijn we geconditioneerd. Ik probeer daar helemaal tegenin te gaan doordat ik open werken maak waar die vraagstelling niet meer van toepassing is – denk ik.


Wat wilt u teweegbrengen bij uw publiek? Stel dat u nooit bestaan had en dus nooit die mooie tekeningen en schilderijen geproduceerd had, zou de wereld er dan anders uitgezien hebben?

B: (lacht) Niet zoveel, maar dat valt nu moeilijk in te schatten natuurlijk. Kijk naar het werk van Andy Warhol, zonder hem zou de kunstwereld er toch anders uitgezien hebben. Veel kunstenaars zijn enorm belangrijk geweest, dat wordt vaak onderschat. Historisch bekeken, zijn de belangrijkste getuigen van de geschiedenis de kunstenaars geweest. Dat zijn de dingen die meegedragen worden.

G: Kunst staat ook vaak buiten de officiële instanties en vormt zijn eigen mening, want iedere kunstenaar voert zijn eigen onderzoek uit.

B: Film en fotografie hebben vorige eeuw ook zodanig ons kijken en denken over het beeld beïnvloed, maar dat wordt zwaar onderschat.

G: De enige kunstvorm die algemeen aanvaard en verstaan wordt is muziek, omdat iedereen door onder andere de radio daar sneller mee geconfronteerd wordt.

B: Ik heb lang in het onderwijs gestaan, ik vind het bijzonder jammer dat in het algemeen onderwijs beeldcultuur niet benaderd wordt, dat is gewoon krankzinnig. Ik vind het onbegrijpelijk dat mensen niet leren met beelden omgaan. Dat zie je ook in film en reclame, hoe slecht dat kan zijn. Ik vind – maar dat is de verantwoordelijkheid van de regering natuurlijk - dat je dat in het onderwijs moet binnenbrengen. Zo ga je ook een cultureel beschavingsniveau bereiken dat veel interessanter is dan met wat we nu opgezadeld worden.

G: Aan dat één uurke per week hebben veel leerlingen geen boodschap meer, ze zouden dit beter wijden aan beeldanalyse.

B: Ons onderwijssysteem is nog heel 19e eeuws eigenlijk. Maar we zijn blij want we zitten op het hoogste niveau in de wereld en willen op onze lauweren rusten in plaats van nog progressiever te worden. Het gevolg is dat we nu alleen nog maar slechte TV-programma’s hebben en mensen zelfmoord plegen omdat ze slechte TV-programma’s zien, slechte architectuur zien, slechte vormgeving zien… Het hangt aan elkaar.


Jullie zijn dus ook van mening dat schoonheid - wat jullie toch op een bepaalde manier maken - de wereld kan redden?

G: Esthetiek is heel belangrijk.

B: Beeldcultuur, architectuur en film zouden de basis moeten zijn in het onderwijs. Het is zo aanwezig in onze maatschappij, maar we leren er niet mee om te gaan.

G: Met basismateriaal kan je bijvoorbeeld al hele mooie huizen bouwen, hoe komt het dat er zoveel oerlelijke gedrochten gebouwd worden? Omdat een groot aantal mensen daar geen kennis van heeft.


Over naar muziek: zetten jullie muziek op als jullie aan het werk zijn?

G: Ik altijd.

B: Ik nooit.


Maar je zingt wel bij 'The Singing Painters'! Is dat cultuur of is dat fun?

B: Voor mij is dat ontspanning. Ik vind wel dat we heel goeie muziek maken, maar ik ben zowat den enigen die dat vindt… (lacht)


Hebben jullie al een CD uit?

B: Natuurlijk niet, we zijn een heel obscuur groepje.


Terug naar het atelier: is dat de plaats waar jullie het gelukkigst zijn?

B: Nee, helemaal niet! Dat is de plaats waar er veel geween en tandgeknars aan vooraf gegaan is. Dat is de plaats van veel zweet, tranen en bloed.

G: Dat geluk daar duurt vijf seconden..


Is het jullie thuis?

B: Voor mij wel. Voor mij is het belangrijk dat mijn atelier is waar ik woon, omdat ik geen discipline heb. Ik moet kunnen werken als het mij invalt. Maar misschien zou dat wel heel goed voor me kunnen zijn, een atelier op afstand.

G: Ik woon op vijf minuten van mijn atelier en dat werkt heel goed voor mij, maar soms na het diner ’s avonds heb ik nog zin wat te werken, maar merk ik dat ik er toch niet geraak. Door die afstand zie ik er tegenop. Ik ben echt wel een nine to five-er.

B: Ik schilder alleen bij daglicht, tekenen doe ik wel ’s avonds. Maar zoals ik al zei, ben ik redelijk lui.


U vindt uzelf een luierik?

B: Ja… euh nee… De uren die ik effectief werk zijn zeer miniem. Ik zit niet graag in mijn atelier, maar de uren dat ik aan het werken ben, vergeet ik dat ik in mijn atelier zit.

G: Over dat gelukkig zijn in uw atelier: ik vind dat wel een interessant gegeven omdat dat er bitter weinig aanwezig is, je zit daar wel te wroeten hé. Soms zit je daar een uur niks te doen en ben je zodanig geconfronteerd met het werk dat je aan het maken bent, dat dat heel frustrerend is. Je zit continu alleen en je moet de vraagstelling continu aan jezelf voorleggen. Soms los je dan een probleemstelling van dagen in één minuut op, dan ben je vijf seconden content, maar kom je weer voor een volgend probleem te staan.


Voelt de eenzaamheid van een atelier soms zwaar aan?

B: Als ik aan het werken ben voel ik geen eenzaamheid. Als ik me eenzaam voel, ga ik gewoonweg niet naar mijn atelier.

G: Ik ook niet. Ik hou van de wisselwerking alleen in mijn atelier te zijn en dan 's avonds te gaan aperitieven.


Michaël, de periodes dat u zich opsluit om te schilderen, lukt het dan om echt een week geen mensen te zien?

B: Ik bepaal nooit op voorhand 'of ik me ga opsluiten’. Ik begin te werken en kom achteraf tot de constatatie dat ik me opgesloten heb. Als ik intensief bezig ben met iets , kan me dat erg in beslag nemen..

G: Je voelt ook dat je goed bezig bent dan, dat het klopt, en dat wil je zeker niet stilleggen, uit besef dat het van korte duur is 'dat het goed marcheert'. Je wilt er dan ook helemaal in opgaan.


Zien jullie jezelf nog 1000-en schilderijen maken?

B: Zoveel moeten het er nu ook niet zijn…

G: Dat moeten daarom niet perse schilderijen zijn…


Maar is dat dan voor jezelf of voor iemand anders?

B: Meestal worden die wel verkocht aan iemand anders hé…

G: Schilderijen is ook iets relatiefs. Voor hetzelfde geld zegt Michaël binnen tien jaar dat voor hem dat medium ook veranderd is hé. Dat is een evolutie die je niet op voorhand kan bepalen.

B: Maar toch vermoed ik van wel hoor! Ik denk dat ik nog maar net op gang kom, ik denk dat ik mijn beste werk nog moet maken.


Verlang je er nog naar een soort Mona Lisa te maken?

B: Dat is geen doel op zich, maar het zou wel interessant zijn mocht dat gebeuren. Zo’n werk dat de kunstgeschiedenis ingaat en altijd gerecupereerd wordt..

G: Op koffietassen enzo…(lacht)


Ik denk er net aan, er staat een tekening van u op de cd van dEUS!

(Michaël trekt een grimas)


Hilde: Vraag skippen?

B: Nee, als je er een interessante vraag kan over stellen niet…(lacht)


Ben je tevreden over hoe de tekening op het hoesje staat?

B:Ik vind het wel interessant dat mijn tekening op zo’n commerciële manier gerecupereerd wordt, ik heb daar niks op tegen.

G: De tekening klopt ook wel met de titel van de cd.

B: Het klopt helemaal niet met de titel van de cd, maar het kàn kloppen natuurlijk. By the way: ik heb een rock’n roll hart hé, als rockers mij zoiets vragen doe ik dat, zeker als ik fan ben, want ik heb zoiets ook al een paar keer geweigerd.


Al veel foute keuzes gemaakt in het leven?

G: Nu! Dit interview!(lacht)

B: (kort en bondig) Ik heb al veel foute keuzes gemaakt in het leven.


Hadden jullie er destijds graag bij geweest ten tijde van de impressionisten in Frankrijk of de expressionisten in Duitsland? Iedereen die ’s avonds bij elkaar kwam en al dan niet Absinth dronk.

B: Dat wordt allemaal heel erg geromantiseerd…

G: Dat is nu nog altijd! Dat is allemaal dikke zever… we zitten wij ook op café ’s avonds…

B: Trouwens die impressionisten en surrealisten konden elkaar niet uitstaan.


Voelen jullie zich verbonden als een ‘kunstenaarsgroep’?

G: Maar neen, daar zijn wij niet mee bezig…

B: Ik wil met schilders niks te maken hebben! Ik ga liever op café met schone meiskes! (lacht)


Over drinken gesproken, drinken of ‘smoren’ jullie in het atelier tijdens het werk?

B: Ik drink braaf koffie en water… drinken is voor als je je wil ontspannen…

G: Dat marcheert niet als je drinkt. Dat is een heel romantisch gegeven uit de kunstgeschiedenis.


Schilderen is topsport, maar doen jullie nog aan andere sporten om het schilderen te compenseren?

G: Jeu de boules! (lacht)

B: Ik durf dat niet zeggen, het is te belachelijk gewoon: ik ga gaan lopen met een kap op, zodat niemand me herkent. Ik vind het echt geen gezicht, maar het is goed voor de conditie en ik heb er echt veel deugd van…

G: Als je een Orval of tien drinkt heb je daar ook deugd van hoor!


Over dat herkennen gesproken, heb je daar last van als je ergens binnenkomt, Michaël? Want de 10% die misschien 'kijken', zijn dan wel mensen die kennis hebben van kunst.

B: Och, Ze kijken echt naar mij… Wat wel ambetant is op een receptie is dat mensen die ik niet ken tegen mij beginnen te spreken - en helaas - zijn dat de meest vervelende mensen. Die willen dan ‘praten’ met mij. Beleefde mensen laten mij gerust.

G: Ik had dat onlangs dat ene persoon x mijn hele programma kende waar ik mee bezig was, maar ik vond dat zeer irritant, want heb ik daar geen boodschap aan en die weten ook niks anders interessants te vertellen.


Stel: je komt de Vooruit in Gent binnen…

B: Ik kom daar nooit binnen, dat is precies een jeugdhuis, ik kan daar niks gaan doen.


Ok, het S.M.A.K dan, denk je dan niet, fuck, ze gaan me herkennen en naar me kijken?

B: Ik ben wel Koen Wauters niet hé. Tom Barman zei me: "nu met die CD-hoes ga je pas echt bekend worden".

G: Mensen die met kunst bezig zijn, zijn dààr toch niet mee bezig? Trouwens, in kunstcatalogi staan meestal ook geen foto’s van de kunstenaar.

B: Ik probeer ook altijd te vermijden dat er foto’s van mij in staan.

G: Het gaat niet over je gezicht hé, het gaat over je werk.


Meneer Borremans, u moet waarschijnlijk ook tegen de roddel ’die zal wel veel geld hebben’ kunnen…

B: Dàt is wel waar natuurlijk! (lacht)


Voelt u jaloezie?

B: Die zal er ongetwijfeld wel zijn.


Voel je onderhuidse steken van mensen?

B: In het begin voelde ik wel dat sommige vrienden minder vriend werden en andere mensen plots mijn vriend wilden zijn… heel raar. Maar dat is nu voorbij.


Is het eenzaam aan de top?

B: (lacht) Eenzaam aan de top? Hilde toch…


Als u Luc Tuymans ziet, hebben jullie samen een klik?

B: Luc Tuymans ken ik nauwlijks, ik heb daar nog nooit mee ‘geklapt’, misschien doen we dat ooit nog wel eens…


Wat denken jullie over emotie in de kunst? Mag de kijker jullie gemoedstoestand herkennen in jullie werk?

G: Dat is ook heel dubbel hé. Bij mij zal dat minder herkenbaar zijn omdat ik zo neutraal mogelijk probeer te zijn t.o.v. mijn werk.

B: Ik geef wel een state of mind weer die meer algemeen is natuurlijk. Bij mij kan je niet zien aan mijn werk of ik me depressief of goed voelde.


Wie jullie kunst afwijst, wijst die ook jullie persoon af?

B: Ik zou dat niet gauw persoonlijk nemen. Pas op, je hebt ook de factor van ijdelheid natuurlijk - die je ook niet mag uitschakelen - maar je mag dat niet persoonlijk nemen, het gaat over je werk.

G: Je kan dat ook weer vergelijken met muziek, omdat het iets is waar mensen makkelijker kunnen mee omgaan. Je hebt van die Vlaamse pompmuziek - die sommigen graag horen - en dan Coltrane waar andere liefhebbers voor zijn. Je kan toch nooit iedereen behagen?

B: Dat heb je goed gezegd!

G: Je hebt natuurlijk ook gefrustreerde mensen die het zelf niet aankunnen en een ander zijn werk dan maar afbreken.


Maar bij uw werk, Michaël, heb ik het gevoel dat gewoonweg niemand het slecht of lelijk kàn vinden.

B: Zo in mijn gezicht gebeurt dat nooit. Maar mijn werk heeft soms ook iets mufs hoor, zo fris is mijn werk toch niet…


Komaan!

En een lief dat je werk niet graag ziet, kan dat je lief worden?

B: Dat zou ik graag eens hebben, dat zou eens een goed lief zijn zeg, dat is dan een vrouw die je uitdaagt hé.


Ik zit al een hele week met dat liedje ‘Tragedy’ van de Bee Gees in mijn hoofd, zo’n liedje dat je echt een wow-gevoel geeft. Wel Michaël, jij ben één van de weinige kunstenaars waar ik ook dat wow-gevoel bij heb – een soort verliefdheidsgevoel - als ik sommige werken zie.

B: Tja, ik ben een catchy-kunstenaar hé! (lacht)

G: Dat is net het nadeel van beeldende kunst, dat je dat moet gaan bekijken op een tentoonstelling. Je hebt veel minder dat instant-gevoel zoals je bij een liedje op de radio kan hebben. Er is weinig spontane confrontatie, behalve op foute locaties als rotondes. Je moet echt naar die tentoonstelling gaan om het te vatten. Je kan natuurlijk een catalogus openen van een bezochte expo, maar dan duurt het langer voor je daar in opgaat. Jij kan dat nummer van de Bee Gees nu neuriën en iedereen is er mee weg, zeg een titel van een werk van Michaël en dat effect kan je niet in 1-2-3 bewerkstelligen.


Inderdaad, maar verf, verfstreken op een doek, dat heeft toch echt iets magisch, iets ondefinieerbaars.

G: Je kan het vergelijken met een gitaar, de ene haalt daar de goorste troep uit, de andere sublieme klanken. Idem met een tube verf: de ene kan daar alleen maar een vlak mee schilderen, de andere maakt daar iets prachtigs mee.

M: Verf kan inderdaad sensualiteit hebben, het is iets heel fysieks, erotisch…


Waarvoor hebben jullie totààl geen talent?

B: Ik kan totààl niet dansen. Ik heb veel ritme in mijn lijf en in mijn hoofd, maar een soort vertraging tussen mijn hersenen en mijn benen, ze reageren altijd een fractie trager dan ik gedacht had. Ik zit raar ineen op dat gebied, ik vermoed dat ik een psychomotorisch probleem heb.

Grunewald: Ik heb dat probleem met muziek, ik heb echt geen voeling met gitaar spelen, al zou ik dat echt wel willen.

Borremans: Allez, gitaarspelen, dat is toch fantastisch! Dat is gewoon het verlengstuk van je lichaam!


Ik wil jullie niet droevig maken, maar wat mag er op jullie grafzerk staan?

Borremans: Ik wil geen graf, ik zou het liefst zo gewoon verdwijnen zoals die vliegenier: Antoine de Saint Exupéry. Dat ik vermist bent, plots, en nooit meer teruggevonden word…

Grunewald: Of zoals Dennis Black Magic, die is toch ook verdwenen?

Borremans: Of zoals op het grafzerk van Cowboy Henk staat: Hij leerde zijn volk niks.


Er volgt nog veel over en weer gebabbel over kunstenaars, en ego’s, en dood zijn maar nog kunst nalaten, en tandartsen, en werken bij de Volvo, en vrouwelijke kunstenaars en wie de vrouw het mooist afgebeeld heeft, en gebabbel over een film van Bratkov waar Michaël smolt van die vrouw, en Manor die vindt dat het mooiste kunstwerk de wereld zelf is, tot gebrabbel over al dan niet seks voor een dagje schilderen in het atelier…


Houden jullie van interviews?

Borremans: Interviews zijn zinloos. 90% is overtollige informatie.

Grunewald: Laten we nog enen drinken…


Wat moet de lezer onthouden dit het interview?

Grunewald: Relativeringsvermogen...

Borremans: Dat in onze maatschappij het belang van beeldcultuur onderschat wordt en dat het aan de overheid is om daar bewust mee om te gaan. Dit is een oproep aan Frank Vandenbroucke, hij is niet slecht bezig, maar het kan nog beter…


Tijdens het nakaarten aan de bar:


Ik heb jullie eigenlijk te weinig over jullie werk laten praten hé?

Grunewald: Nee, ik denk dat dat eens een goed gegeven is. Maar mensen zijn in het algemeen ook niet echt geïnteresseerd in de diepgang van iemands werk.

Hilde, je ging nog een goeie vraag stellen: ‘waarom andere mensen werken en wij niet?’ Alsof wij niet werken?

Borremans: (zingt) 't Zijn zotten de wèèrken...

Mijn ambitie ligt in mijn werk en ik blijf heel nieuwsgierig naar wat ik kan doen binnen mijn onderzoek.

Grunewald: Idem voor mij!


Hoeveel krijg ik op 10 voor dit interview?

Grunewald: Een volle 8. En nu kap ik ermee zulle!

Borremans: Een 6.


Waarom maar 6? Wat moest ik nog meer gedaan hebben?

Borremans: Je bent erdoor, zijt content! Het waren wat domme vragen hé Hilde!


Dat is expres, op mijn domme vragen krijg ik veelal interessante antwoorden...

Borremans: Het waren zo van die vragen waar ik me geen raad mee wist.


Waren ze te weinig kunstgecultiveerd?

Borremans: Ik vond dat ze te veel over kunst gingen. Ik wou over leuke dingen praten.


Zoals?

Borremans: Dieren.


Wat is je lievelingsdier?

Borremans: Tegenwoordig heb ik nogal veel affectie voor de lama.


Waarom?

Borremans: Ik zou dat graag hebben als huisdier omdat dat eigenlijk niet in een huiskamer past.


Lievelingsbloem?

Borremans: Klimop.


Lievelingsauto?

Borremans: Heb ik niet.


Lievelingsgerecht?

Borremens: Japans!


Let u op uw gezondheid?

Borremans: Niet genoeg.


Heb u iets destructiefs in u?

Borremans: Absoluut! We hebben dat allemaal hé, eigenlijk schilder ik uit pure doodsdrift...


Schilderen tot de dood je van je penseel scheidt. Wow, wat een einde, bedankt voor het interview mannen!


Hilde Van Canneyt. Gent, donderdag 26 maart 2009.

Expo's Manor Grunewald:

Zennestraat 17: Zennestraat 17, Brussel: van 23/04 tem 30/05.

Cruel Intentions: Broelmusem, broelkaai 6, Kortrijk: van 15/05 tem 07/06.

Monumental: Luipegem 77, 2880 Bornem: van 17/05 tem 20/09.

The Ornamental Body: Witte Zaal, Posteernestraat 64, Gent: van 29/05 tem eind juni.

Solo project: release catalogus nov-jan 2010, Fordlaan 17.

http://www.manorgrunewald.com/

http://www.zeno-x.com/

http://www.fortlaan17.com/

www.kestner.org/de




zondag 5 april 2009

Interview met rik de boe






Boe!

Hilde Van Canneyt: Hoi Rik, klaar om je hersenen te pijnigen ?
Rik De Boe: Ahum, het is nog ochtend, maar we gaan ervoor…

Ik heb je gezien op de opening van je expo in Croxhapox. Toen je instemde voor een interview, besloten we om een paar dagen later daar af te spreken, maar toen mailde je me dat je liever ergens anders wou afspreken. Daarom zitten we nu in een of andere kleffe broodjeszaak met muzak op de achtergrond. Waarom?
Rik De Boe: Veel van mijn werk gaat over geheugen en herinnering en ik was benieuwd hoe iemand zich mijn werk zou herinneren, omdat ik toch eigenlijk vertrouwde beelden voorschotel. Ik kan me dus voorstellen dat de kijker een soort déja-vu gevoel krijgt, want iedereen kent wel het testbeeld van tv of beelden van viewmaster of die kleefbandhouders. Maar hoe functioneert dat dan binnen je herinnering? Het is heel moeilijk om je voor te stellen hoe een testbeeld er werkelijk uitziet als je het testbeeld zelf niet voor je ziet.

Ik mocht ook niks over je opzoeken of iets voorbereiden. Dus stel jij maar de eerste vraag aan mij!

De Boe: Heb ik dat gezegd?

Euch ja, maar het is nu te laat…
De Boe: Het is vrij lang geleden dat ik werk getoond heb, het vroeger werk was totààl anders, er is veel veranderd. Op zich moeten beelden voor zich spreken, anders ben je niet met beeld bezig. Maar ik vind het altijd raar dat je aan een beeldend kunstenaar vraagt zich te gaan verantwoorden via taal. Aan een dichter vraag je toch ook niet om een tekening bij een gedicht te maken? Niet dat er geen gesprek kan zijn, maar hoe langer ik met beeldende kunst bezig ben, hoe meer ik besef dat ik door beelden word gefascineerd die niet uit te leggen vallen en een onverklaarbaarheid in zich hebben.

Maar mijn vraag aan jou eerst: wat herinner jij je dan nog van mijn expo?

Vooral zwart/wit tekeningen: die testbeelden, die raamblinden, iets met een witte bol… ik herinner me wel dat het heel goed getekend was, maar er wel academisch uitzag.

De Boe: Wat is dat dan ‘academisch’?

Op een eindejaarstentoonstelling van een tekenacademie zie je toch ook veel schetsen naar de werkelijkheid, de ene al wat beter dan de andere, daarom deed het mij aan dat ‘schoolse’ denken.
De Boe: Nochtans kan je je bij veel van mijn beelden afvragen of het de werkelijkheid is of niet, zoals zo’n testbeeld. Of de tekening van Eurovision. Een soort irrealiteit, wanneer wordt dat werkelijk? Ik hecht veel belang aan : wanneer is iets het waard om een beeld te worden?

Nu speelt mijn herinnering mij even parten, maar sommige onderwerpen maakten je tekeningen wel sterker door het onderwerp, en zo’n kleefband is ook maar zo’n kleefband, hoe goed ook getekend- en maakt dus minder los dan zo’n nagetekende filmstill bijvoorbeeld.
De Boe: Ik snap niet wat je bedoelt.
Ik ben uiteindelijk altijd met onderwerpen bezig en nu resulteert dat in tekeningen van die specifieke dingen. Maar die objecten hebben wel een geladenheid, al kent iedereen ze. De manier waarop ik ze in beeld probeer te zetten biedt aan de toeschouwer de mogelijkheid herinneringen of associaties op te roepen. Een kleefbandhouder is een banaal ding, maar het is wel gemaakt om het leven makkelijker te maken.

Het feit dat het naar de werkelijkheid getekend is en met een klassiek medium houtskool…
De Boe: Een klassiek medium? Klinkt nogal negatief. Een aantal jaar geleden was schilderkunst zogezegd dood, nu weer springlevend. Die discussie omtrent tekenen is er eigenlijk nooit geweest.

Vind je je werken in Croxhapox hedendaags?
De Boe: Ja! Alleen zien ze er wat ouderwets uit.

In welke zin zijn ze hedendaags relevant?
De Boe: Wat is relevant? Binnen honderd jaar is er wel een versmelting van moderne kunst van wat nu dan actuele kunst genoemd wordt. Ik voel geen noodzaak voor het ‘hedendaagse’. Ik werk met een beeldtaal die refereert aan een recent verleden. Mijn vader was 64 jaar toen ik geboren werd en misschien heeft dat er wel veel mee te maken. Neem nu dat testbeeld, dat stààt er, kent iedereen en is van iedereen. Het is een abstract beeld en langs de andere kant is het dat niet.
Die eeuwige discussie toch omtrent abstractie en figuratie .....
Maar het roept voor iedereen connecties op. Het zijn beelden die andere zaken zoals kleur en geluid oproepen of misschien ook helemaal niets.

Hoe komt het dat je zoveel naar film en TV verwijst?
De Boe: Omdat ik er van hou die dingen tot stilstand te brengen. Ik heb ooit een video gemaakt waar ik 400 stills van eindbeelden –The End- verzameld had. Op zich zinloos ... maar dat verzamelen fascineert me.

Wat is de dieperliggende betekenis achter je tekeningen?
De Boe: het is altijd vreemd te zeggen: er is een betekenis achter het beeld, er bestaat geen betekenis àchter een beeld, er zit een betekenis in het beeld. Maar die betekenis is ruim natuurlijk, hangt af van de beeldkeuze, de verbanden tussen de verschillende beelden enz. Maar om nu door te drukken: ik werk niet met iets als - dít is mijn idee – en nu maak ik er een tekening van… ik denk dat kunst zo niet werkt.
Ik maak tekeningen en maak die associaties en hoop dat mensen daar zelf ook mee aan de slag gaan natuurlijk. Als mensen aan de hand van een tekening een betekenis geven aan dat beeld dat misschien losstaat van dat beeld, is dat OK.

Je maakt tekeningen in de eerste plaats voor jezelf omdat je zin hebt om die te maken, maar dan wil je die tonen aan ons. Waarom wil je die tonen aan ons? Om te laten zien dat je goed kan tekenen?
De Boe: Nee, ik wil een verhaal vertellen, een reflectie en dan associaties op gang brengen. Zo werkt beeldende kunst toch? Ik wil ook ontroering en schoonheid teweeg brengen. Of ik hoop misschien dat je je vriend liever gaat zien door te kijken naar mijn tekeningen.

Jij hoopt dat we door naar je expo te gaan kijken met een licht en zacht gevoel naar buiten gaan?
De Boe: Dat kan ook een andere emotie zijn, vertwijfeling… je kan thuiskomen en een rolletje kleefband zien en… tja, wat wil ik? Dat is niet definieerbaar, niet volledig afgelijnd… het kan ook een ongemakkelijk gevoel opleveren.

Waarom ongemakkelijk?
De Boe: Omdat bijvoorbeeld een testbeeld voor mij ook een wrangheid in zich heeft, kom ik te laat of kom ik te vroeg? Is de film voorbij of moet hij nog komen? Die associaties worden al dan niet bewust zelf gemaakt door de kijker.
Mijn vader maakte amateurfilms. Herinner ik me de ervaringen uit mijn jeugd of die filmbeelden? Die vermenging van beide doet vertwijfeling ontstaan. Zo stel ik de oorsprong van beelden ook in vraag.

Is het tekenen voor je zuiver ontspanning? Veel kijkers gaan het misschien na-tekenen noemen, het heeft niks conceptueels of geëngageerds.
De Boe: Ontspanning is een vreemd woord hier. Het feit van een tekening te maken, iets te creëren is sowieso inspannend. Na-tekenen – mimesis – creëert een eigen werkelijkheid.
Een tekening van een testbeeld / still is toch een wezenlijk verschil met een testbeeld/still. Je hebt de structuur van het blad, de materie houtskool, er komt een dimensie bij. Het is niet juist dat het niets toevoegt, het voegt mij al toe. Ook de verbanden tussen de tekeningen zeggen al veel.

Vind je dat een hedendaags kunstenaar een bepaald standpunt moet innemen?
De Boe: Een kunstenaar neemt altijd een standpunt in. En wat is voor jou hedendaags relevant?

Daar heb ik nog altijd geen antwoord op gevonden, daarom dat ik jullie uithoor!
De Boe: Testbeelden, videocassettes, audiocassettes kaderen natuurlijk in een periode die voorbij is .... dat is ook wel iets dat de tijdelijkheid van de dingen aantoont. Het gaat niet over originaliteit, het is hoe je alles kadert en schakelt.

Een Michaël Borremans bijvoorbeeld schept imaginaire fantasiebeelden, dat is bij jou bijvoorbeeld ver te zoeken.
De Boe: Het is ook een soort van leegte, de zaken die ontbreken tussen al mijn tekeningen, die me fascineert. De manier waarop het opgehangen is in Croxhapox, de schakelingen en patronen benadrukken dit.
Als je sterft kan je je leven in een flits zien voorbijgaan, wordt vaak gezegd, dan zie je snapshots van je leven… zo zie ik mijn tekeningen misschien ook.

De menselijke figuren zijn afwezig in je tekeningen…
De Boe: En toch zijn ze er.

Het feit dat je geen foto’s maakt is waarschijnlijk omdat je houdt van de handeling van het tekenen. Waarom laat je kleur achterwege?
De Boe: Dat komt waarschijnlijk nog uit mijn grafische opleiding. Ook wil ik net in mijn zwart-wit tekeningen soms kleur oproepen. Ik ben nu aan het werk aan houtskool-tekeningen van aquareldozen en het is vreemd hoe een zwart-wit tekening van zo’n aquareldoos toch een wereld van kleur kan oproepen.
Zoals vroeger met zwart-wit televisie er ook een wereld in zwart-wit bestond.

Hoe is het allemaal begonnen?
De Boe: Na mijn klassieke humaniora had ik het gevoel dat ik iets wou doen met mijn handen en toen heb ik voor grafiek gekozen, al wist ik toen niet echt wat dat inhield. Ik had toen zelfs nog niet veel getekend, hoewel ik wel al in kunst geïnteresseerd was. En die interesse is tot op de dag van vandaag blijven groeien...
Zo heb ik bijvoorbeeld elk jaar mijn uitstapje naar Italië nodig om me te voeden. Ik ben gek van het stadje Mantova waar er een klein kamertje met fresco’s van Mantegna is, camera degli sposi geheten. De iconografie is rijk, maar vooral voor de schoonheid heb ik geen woorden. Hoe meer ik er kom, hoe rijker het wordt. Het is zoals het weerzien van een goede vriend, het wordt boeiender omdat je het reeds kent, een aha-ervaring die het persoonlijk maakt.

Haal je je inspiratie dan meer uit oude kunst dan hedendaagse kunst?
De Boe: Uit beide. Zijn de thema’s uit de actuele kunst dan zo verschillend van die oude thema’s? Studenten komen me soms vragen: Mag ik nog een portret maken? Natuurlijk! Het is hoe je de dingen hanteert en hoe je de dingen weergeeft. Om het met een citaat van JCJ Vanderheyden te zeggen: “Wetenschap gaat vooruit, kunst niet… kunst begint telkens opnieuw.”

Is elke tekening kunst? Maakt een kind die een tekening maakt ook kunst?
De Boe: Ik kan daar heel gefascineerd door geraken. Ik hou wel van die vermenging van ‘lage en hoge cultuur’

Elke mens die tekent is dan een beetje kunstenaar?
De Boe: Nee, ik denk dat je als kunstenaar toch bewustere keuzes maakt, maar ik kan nog altijd gefascineerd worden door een kind dat een tekening maakt en waar je iets van zijn wereld ziet verschijnen. Daarom blijf ik ook gefascineerd kijken hoe mijn studenten te werk gaan. Of een robottekening van een agent kunst is? Interesseert me niet! Al blijft het wel fascinerend…

Al die duizenden tekeningen die gemaakt worden in de academies, wat is het nut daarvan?
De Boe: Nut, nut… Hilde, wat is dat?

Wat is de opzet van de nieuwe expo in de Voorkamer in Lier? De Voorkamer is het kunstenaarsinitiatief dat je samen met Peter Morrens hebt opgericht.
De Boe: Er is een boek uitgekomen naar aanleiding van 12,5 jaar De Voorkamer.
We tonen ons archief van multipels, we hebben aan enkele kunstenaars - waar we in het recente verleden mee samenwerkten - gevraagd om een nieuwe multiple te maken. Aan Jasper Rigolle hebben we gevraagd om aan de slag te gaan met het archief van De Voorkamer.

Wanneer hebben jullie het kunstenaarscollectief De Voorkamer opgericht?
De Boe: In ’96. We wilden zaken kunnen tonen die we zelf goed vonden.

Een dag niet getekend is een dag niet geleefd?
De Boe: Na een tijdje begint het toch te kriebelen, ja…

Vind je dat je al naam gemaakt hebt? Dat je naar waarde geschat wordt?
De Boe: Ik vind dat een vreemde vraag. Natuurlijk wil je dat veel mensen je werk zien Ik wil vooral mijn tekeningen blijven maken en tonen aan mensen. Maar ook het lesgeven en tentoonstellingen maken met De Voorkamer is nu een wezenlijk onderdeel van mijn leven en dat weerspiegelt zich natuurlijk ook in mijn werk.

Volg je wat andere kunstcollega’s van nu doen? Ook in de disciplines naast het tekenen? Heb jij trouwens nooit zin te schilderen of te boetseren?
De Boe: Ja natuurlijk - Zelf heb ik momenteel geen behoefte aan andere disciples… ik kan me bijvoorbeeld enorm vinden in beelden van Mark Manders
Maar wat me inspireert kan ook abstracter zijn, zoals een landschap, een muziekstuk… Wat is de betekenis van een stuk muziek? Dat is veel abstracter. Trouwens in een ander leven was ik misschien muzikant, een pianist geworden, maar ik heb nu eenmaal voor het tekenen gekozen.

Nog dromen, projecten, whatever?
De Boe: Ik heb nu wel het gevoel dat ik met tekeningen mijn verhaal kwijt kan, daarnaast ben ik ook met video bezig, ik verveel me niet… hopelijk kan ik mijn ding blijven doen, maar iets concreet, daar kan ik niet op antwoorden…

God heeft voor jou de weg van het tekenen uitgestippeld…
De Boe: Dàt zijn te moeilijke vragen voor een dinsdagmiddag, ik heb dorst gekregen van al je vragen Hilde, ik ga nog een koffieke bestellen...

Hilde Van Canneyt, Gent, dinsdag 24 maart ’09.

Rik De Boe stelt nog tot 12 april ’09 tekeningen tentoon in Croxhapox, Gent.
Archief multipels+13 nieuwe multipels+Jasper Rigole nog tot 26 april in de Voorkamer te Lier.

Publicatie: 10+2,5 jaar Voorkamer: 12,5 euro.

http://www.voorkamer.be





dinsdag 31 maart 2009

interview met rudi bogaerts



Rudi Bogaerts is geen fotograaf. Hij is een kunstenaar. Het verschil tussen beide kom je zo dadelijk te weten. Ik ontmoet hem daags voor zijn solotentoonstelling – gehuld in zijn overall – in Galerie Jan Dhaese te Gent.

Hilde Van Canneyt: Als ik je een fotograaf zou noemen, wat antwoord je daar dan op?
Rudi Bogaerts: Ik vind dat geen compliment. Ik zie mezelf helemaal niet als een fotograaf. Fotografie kan wel kunst zijn, maar een fotograaf is meestal geen kunstenaar.

Waarom niet?
Bogaerts: Ik heb daar lang over nagedacht. Zelf heb ik eerst schilderkunst gestudeerd en daarna fotografie. Op een bepaald moment kwam ik tot de constatatie dat de meeste fotografen een heel andere kijk hebben op het ervaren van de werkelijkheid en de omgeving dan een kunstenaar. Vorig jaar ben ik in New York geweest waar ik een tentoonstelling van Anthony Gormley zag. Hij had een glazen kubus van 10m3 gevuld met waterdamp en in de ruimte geplaatst, letterlijk één mistwolk. Ik had me de bedenking gemaakt: wat zou een fotograaf doen als hij in die kubus komt en wat zou een kunstenaar doen? De fotograaf zal - denk ik - een paar shots nemen en dan naar huis gaan, waar hij zich concreet zal vasthouden aan die mist die daar aanwezig was, want hij wil die mist vatten, adapteren. Wat doet de kunstenaar? Niets, hij zal erin gaan staan en die ervaring op zich laten inwerken. Misschien zal hij pas drie maanden later die ervaring kunnen verwerken in een werk.

Je noemt jezelf vaak een beeldend archivaris, vanwaar die term?
Bogaerts: In 1999 heb ik voor het Brusselse Parlement een in situ project gerealiseerd, ‘De ontmoetingsmuur’ waar ik een werk heb gemaakt rond de straten van Brussel die een persoonsnaam bevatten. Op zoek naar een portret en de achtergrond van die personen, belandde ik oa. in het Brussels stadsarchief. Ik ben toen tot de conclusie gekomen dat je in zo’n archief veel bruikbare info vindt die het daglicht niet meer ziet. Zo is mijn interesse ontstaan om oud beeldmateriaal opnieuw te gebruiken en er een andere betekenis en invulling aan te geven. Dat kan zowel vanuit fotografische als schilderkundige hoek komen. Oud beeldmateriaal vind ik trouwens interessanter dan het huidige digitale materiaal: ik hou van de tactiliteit en plasticiteit ervan.

Waarom kunnen je werken als kunst beschouwd worden?
Bogaerts: Ik wil de mensen een andere wereld tonen en hen bewust maken van dagdagelijkse dingen door ze in een andere context te plaatsen, waardoor ze een andere betekenis krijgen. Met mijn werk ‘Pinewood air 300ml e’ bijvoorbeeld wou ik er de aandacht op vestigen dat geurverfrissers kankerverwekkend zijn. Je spuit een dennegeurtje in je huis maar tegelijkertijd kan je je eigen dood in de hand werken en niemand staat daar bij stil. Ik hou ervan dat contradictorische aan te tonen. Alles waarmee ik in aanraking kom wil ik langs een andere kant gaan invullen of er een andere interpretatie aan geven. Ik wil mensen bewuster maken.

Is het feit dat je werken esthetisch zijn een meerwaarde ?
Bogaerts: Een meerwaarde niet: ik vind esthetiek wel belangrijk, maar de gelaagdheid is het belangrijkst. Ik heb zoveel beelden liggen die echt (gewoon) mooi zijn, maar als ik er geen meerwaarde of grotere invulling kan aan geven, gebruik ik ze niet.

We zijn hier in Galerie Jan Dhaese ter gelegenheid van je solo-tentoonstelling. Vanwaar de titel: Hinweise zum Lexicon?
Bogaerts: De vorige tentoonstelling had de titel Lexicon, ik ga in dit werk nu een stap verder. Het werk toont een grotere gelaagdheid en verdieping en langs de andere zijde een vereenvoudiging in de beeldtaal, de wisselwerking van beeld en taal staat veel scherper. Ik kan me niet voorstellen dat mijn werken geen titels zouden hebben: het zou voor mij aanvoelen alsof ik mijn kind geen naam zou geven.

Wil je met je titels nog een extra gelaagdheid geven?
Bogaerts: Mijn titels zijn een extra sleutel: Als je die leest zal je makkelijker toegang vinden tot mijn werk. Het is niet de bedoeling alles zo hermetisch mogelijk te houden.

Zondag was de vernissage. Welke openlijke reacties heb je gekregen van je publiek?
Bogaerts: De mensen die me al iets langer volgen vonden het een grote en mooie evolutie, men vond dat het plastischer werd, picturaler ook. Vaak kwamen mensen me zeggen welk werk hun absolute voorkeur genoot - veel opbouwende feedback dus - goeie reacties ook op de monografie. Op de installatiewand ‘Energy stars’ heb ik veel reacties gekregen. Wat me bij bleef is hoe sterk dat een beeld werkt. De eerste reactie was meestal dat het nogal pornografisch was. Als ik dan opmerkte dat het handelde over het groene gedachtengoed begon men pas de tekst te lezen.


Ben je tijdens je werkproces bezig met feedback van vorige tentoonstellingen?
Bogaerts: Nee. Al wil ik de kijker wel attent maken op dingen. Zo lijkt het mij dat vele mensen Het Nieuws bijvoorbeeld klakkeloos overnemen zonder zich daarbij vragen te stellen. Als kunstenaar moet je kritisch en geëngageerd in de maatschappij staan en ik vind dat velen daar tegenwoordig meer dan ooit oppervlakkig in zijn.

Hoe heb je deze tentoonstelling opgebouwd?
Bogaerts: De eerste ruimte is het meest op de verduidelijking van mijn lexicon gericht. De middenruimte heb ik iets poëtischer en sensueler opgebouwd.
In de laatste ruimte toon ik meer de publicitaire kant. Ken je Energy star? Dat is een soort keuringslabel voor producten die weinig energie verbruiken. Ik ben voor dit werk op zoek gegaan naar oudere beelden van schaars geklede dames die bij zo’n elektrisch apparaat staan waar je dat Energy star label zou kunnen aan toevoegen. Ik heb van die dames ‘Energy stars’ gemaakt en op die foto’s teksten gedropt over energie. Door die ombuiging van erotiek naar de groene gedachte krijg je een bevreemdend effect, een soort clash. Op de kunstenaarspagina in het tijdschrift H-art (#48) werkt dat goed, omdat het overkomt als een publiciteit, wat uiteindelijk mijn bedoeling is.
De andere vrije wand heb ik vol gehangen met notes die ik van Flick’r heb gehaald.

Zie jij zelf een evolutie in je werk tegenover je solo hier twee jaar geleden?
Bogaerts: In de vormelijke taal ben ik meer teruggegaan naar de plasticiteit, je voelt duidelijker de penseelstreek. Ik ben meer losgekomen van het fotografische. Inhoudelijk is mijn werk uitgediept. Twee jaar geleden formuleerde ik eerder een kritische, ironische mening over de kunst zelf, terwijl ik dat nu helemaal heb laten varen, veel meer in de wereld sta en naar de wereld kijk. Het is ook een stuk gevoelsmatiger.

Er is een catalogus uitgegeven naar aanleiding van je tentoonstelling hier in Galerie Jan Dhaese. Ik zie er vooral nieuw werk in staan. Had je geen behoefte aan een ’10 jaar Rudi Bogaerts-overzicht’ of zoiets?
Bogaerts: Nee. Ik wou tonen wat ik nu maak. Het is nog wat te vroeg voor een retrospectieve (lacht).

Een werk dat in je catalogus staat, maar dat ik hier niet zie hangen is: ‘J’ai appris à dessiner chez toi’, uit zowel ’06 als ’08. Het is wat we noemen een interactief werk.
Bogaerts: Eigenlijk is dat heel spontaan gegroeid. Ik had eerst dit werk gemaakt (‘J’ai appris à dessiner chez moi’, 2006), kreeg daar veel reactie op en voor ik het wist vroeg ik mensen een foto van zichzelf in bad op te sturen. Ik heb die foto’s verwerkt, ze nog eens nagetekend – een beetje de ‘Broodthaers-gedachte’ – en dan met die Flick’r-notes beginnen werken. Het is wel boeiend om te zien hoe iedereen zich profileert in zo’n bad en op een andere manier zichzelf letterlijk blootgeeft.

Ik heb een lexicon van woorden samengesteld. Vertel me eens over:

VIERKLEUREN-GOMBRICHROMAAT- PROCEDE
Bogaerts: Dat is een oud fotografisch procédé waar ik tot nog toe de meeste van mijn werken heb in uitgevoerd: Arabische gom met pigment waaraan ik een chemisch product toevoeg, wat het lichtgevoelig maakt: je smeert er papier mee in, legt er een negatief op en daarna leg je het onder UV-licht; nadien spoelen in water. Na de spoeling heb je het beeld in één kleur. En zo leg je je kleuren laag per laag: een soort glaceer-techniek uit de schilderkunst van de 17e eeuw.

SCHILDERKUNST
Bogaerts: Het is mogelijk dat ik later terug begin te schilderen, maar ik heb heel lang gezocht naar het perfectioneren van wat ik nu doe, het gombichromaat. Aan de ene kant ben ik heel technisch, wil ik alles onder controle hebben en is alles goed voorbereid, maar de techniek zet me er toe aan imperfect te werken, want je kan nooit tweemaal hetzelfde resultaat bekomen: een seconde meer of minder belichten of spoelen leidt tot een ander resultaat. Dit edelprocédé ligt eigenlijk tussen fotografie, drukkunst en schilderkunst. Doordat ik met een penseel en in dunne laagjes werk, voel ik me door die handeling ook nauw verbonden met schilderkunst.

KUNSTGESCHIEDENIS
Bogaerts: In ons land zitten we echt op een kruispunt waar we invloeden van overal krijgen en onze kunst levert dan ook een unieke stijl op. Broodthaers en Magritte kunnen alleen maar Belgische kunstenaars zijn, vind ik, als je kijkt naar de ironie die in hun werken zit.

Hoop je later een plaatsje te veroveren in de kunstgeschiedenis?
Bogaerts: Natuurlijk wil ik dat, ik denk wel dat we allemaal zo ijdel zijn. Maar ik ben daar momenteel niet mee bezig, Ik concentreer me op mijn werk: ik vind het al fantastich dat ik kan ventileren wat in me leeft. Ensor zal er waarschijnlijk ook geen vermoeden van hebben gehad dat zijn werk 100 jaar later de huidige betekenis zou hebben.

TALENT
Bogaerts: Het is een abstract begrip, maar in het onderwijs zag ik wel dat je mensen zonder talent toch iets kunt bijbrengen. Op een bepaald moment zie je dan helaas toch dat er iets niét is: het overstijgende ontbreekt, waardoor het werk of de persoon niet verder raakt.

WERKETHOS
Bogaerts: Met momenten heb ik dat héél veel, maar er zijn ook momenten dat ik ontzettend lui kan zijn. Die luie momenten noem ik mijn sponsmomenten. Meestal werk ik van 9 tot 5. Ben ik met een interessant project bezig, of in aanloop van een tentoonstelling, loopt dat natuurlijk wel meer uit de hand en zit ik tot 2-3 uur 's nachts te werken.

DENN ES SCHEINT DASS UNS ALLES VERHEIMLICHT (Rilke)
Bogaerts: Inge Braeckman heeft dat citaat van Rilke als intro in mijn catalogus gebruikt en het klopt wel met mijn werk, vind ik. Ik werk rond het verborgene, dat wat niet vergeten mag worden. Het verborgene op elk vlak, je kan er geen duidelijk stempel opdrukken. Maar als ik nadien terug kijk op het werk verbaast het me telkens weer dat dit de rode draad vormt in mijn werk.

Wanneer is bij jou de klik van fotograaf naar kunstenaar gekomen?
Bogaerts: Ik heb mij altijd als kunstenaar gedragen, zonder dat misschien zelf te beseffen, maar uiteindelijk voel ik het aan als onontkoombaar. In mijn studietijd zag ik wel dat ik heel anders met fotografie omging dan mijn medestudenten.

Wie heeft je beïnvloed in de schilderkunst of in de fotografie?
Bogaerts: Joseph Cornell vooral ook omdat hij zo een verwoed verzamelaar was en de hedendaagse kunstenaar Keith Tyson, vooral zijn denkpatronen boeien me mateloos. Zijn presentatie “Drawing and Thinking” op de Biënnale van Ventië in 2001 heeft me ook anders doen nadenken over werk. Ook de fotograaf Fontcuberta kan me enorm bekoren, de humor en het spelen met valse waarheden.


Wat doet kunst maken voor je eigenwaarde? Zou je je waardeloos voelen als je geen kunst zou maken?
Bogaerts: waardeloos klinkt wat straf, maar ik voel kunst maken wel als een noodzakelijkheid, of zoals ik al net zei: onontkoombaar.

Zijn er hobby’s die je als tegenwicht voor je kunst beoefent?
Bogaerts: Ik ga lopen, al is dat eerder een moment van mentale bezinning dan om me af te reageren op de kunst. (lacht) Mijn kinderen zorgen natuurlijk ook al voor een gezond tegenwicht. Die zijn zo ontzettend rijk, ongelooflijk wat je van hen leert en welke inzichten ze je bijbrengen.

Welke kunst kan je het minst bekoren?
Bogaerts: Pottenbakken. (lacht)

Welke plaats heeft de hedendaagse kunstenaar voor je?
Bogaerts: Zoals ik al zei, hij moet kritisch en geëngageerd zijn.

In welke val mag de kunstenaar niet trappen?
Bogaerts: In de val van de hoogmoed.

Nooit zin om eens helemaal uit de bocht te gaan in je kunstwerken?
Bogaerts: Nee, de manier waarop ik kunst maak hoort bij mijn karakter, al wil ik nog wel eens een heel groot werk maken.

Wat zou binnen tien jaar je grootste schrikbeeld als kunstenaar zijn?
Bogaerts: Dat ik als kunstenaar een bekrompen geest zou krijgen, een cynicus zou worden die zit te prevelen van: “ze vinden mij niet goed omdat ze me niet verstaan, blabla…”.

Hoe zou je willen dat het allemaal uitdijt?
Bogaerts: ik zou mezelf en anderen blijvend willen verrassen.

Hilde Van Canneyt, Gent, do 19 maart 2009

Rudi Bogaerts stelt tentoon t.e.m. 26/04/’09 in Galerie Jan Dhaese, Ajuinlei 15B, Gent.

www.rudibogaerts.com
www.jandhaese.be